De niet zo stille kracht: de Humo-jaren van (pdw)

, door (jm)

pdw
© Gie Knaeps

Zes (pdw)-handlangers over zijn Humojaren: 'Als iedereen verzadigd en begaaid was, keek hij gelukzalig rond.'

Guy Mortier, De oppersnor: 'Dat baldadig gevoel voor humor'

'Hoe en wanneer ik (pdw) voor het eerst ontmoet heb, kan ik me niet precies herinneren. Ongetwijfeld had hij gerookt, en ik niet (lacht). Hij begon al snel LP-besprekingen te schrijven - een kunstje dat hij meteen in de vingers had. Veel van die recensies waren echt om in te kaderen. (pdw) heeft ook jarenlang de legendarische, mag ik wel zeggen, ‘TTT-berichten’ gemaakt, en later 'Zappa',  rubrieken waarin hij zijn baldadig gevoel voor comic relief kon laten gloriëren. Hij was op de redactie ook de referentie als het over buitenlandse komieken ging. Op die manier heeft hij mee de basis gelegd voor Humo's Comedy Cup. Humor was de rode draad in zijn leven: er viel altijd wat te lachen.'

Marc Van Springel (gewezen Humojournalist): 'Plezier in de gaskamer'

'Toen ik in 1991 bij Humo begon, behoorde (pdw) er al tot het meubilair. Hij was een half verlopen rocker in jeans en boots. Toen al kaal, maar wel met een lange, gevlochten paardenstaart. Nooit geld, altijd weed op zak (lacht).

We woonden beiden in Gent, en ik reed vaak met hem mee. Meer dan één keer heb ik me toen afgevraagd of we 't er wel levend vanaf zouden brengen - zijn auto was een wrak.

Op de TTT-redactie van Humo was hij de aanvoerder van een jongensclub. Ons bureau was een mini-biotoop waar iedereen rookte: Guy Mortier noemde het consequent 'de gaskamer'.

(pdw) was toen al een mensenmagneet. Als hij er was, dan gebeurde er iets. 't Was voortdurend lachen, eigenlijk, in die mate dat ik soms niet aan m'n werk toekwam. Maar (pdw) zelf had aan het eind van de dag wél z'n TTT-berichten en z'n plaatbespreking geschreven: temidden van al dat tumult en die eeuwige chaos behield hij zijn bijzonder concentratievermogen.

Kinderen krijgen heeft hem veranderd. Daarvoor was er Humo, en alleen Humo: hij sloeg elk ander aanbod af, ook al kon hij zich financieel verbeteren. Maar zodra hij kinderen had, voelde hij zich verantwoordelijk. De jeans werd een kostuum, de staart ging eraf. En hij ging andere dingen doen. Maar (pdw) bleef wel (pdw): enorm uitgesproken in zijn meningen. Dat sierde hem. Er zijn er weinigen die dat durven en kunnen.

De barbecues in zijn PDW Towers waren legendarisch. Hij propte iedereen vol - met eten, drank en fijne rookwaren. En als iedereen dan verzadigd en begaaid was, keek hij gelukzalig rond. Daar leefde hij voor.

Plezier was zijn heilige graal. (pdw) wilde zich amuseren, en weigerde iets tegen zijn zin te doen. Dat stond zo mooi in contrast met de overdreven ernst die zoveel mensen aanhangen: ik ga hem fucking missen.'

Kamagurka (Humocartoonist): 'Tuugzweire'

'(pdw) is even na mij begonnen bij Humo, ergens in de jaren tachtig. Het waren de schoonste jaren van ons leven: Humo was iets ongelooflijks toen, en wij vonden het een eer om voor dat blad te werken. Alhoewel, werken: 't was eerder plezier maken. (pdw) was de gast die altijd en overal de grap zag: hij had de humor aan zijn gat hangen. Hij lag altijd op de loer voor een goeie witz. Zonder dat hij een klassieke moppentapper was: hij had zijn geheel eigen stijl. Maar tegelijk stond hij ook met zijn beide voeten in de wereld, en redeneerde hij vanuit verontwaardiging over wat er zoal misging in de wereld.

Hij was opgegroeid in een café, en dat volkse is hij altijd blijven koesteren. Ik herinner me nog hoe hij mij het Gentse woord voor bierbuik leerde: 'tuugzweire'. En ik vulde aan met Oostendse uitdrukkingen. 't Was altijd lol trappen met (pdw): als hij ergens binnenkwam, gebeurde er iets.'

Danny Ilegems, Marc Didden e.a. over (pdw) >

Het beste uit de rockrecensies van (pdw) >

De Humo-jaren van (pdw) (vervolg)

Danny Ilegems (gewezen Humojournalist, nu hoofdredacteur Humo): 'Pinball wizard van het woord'

'(pdw) was de vriend die je een hele tijd niet kon zien zonder het gevoel te hebben dat de vriendschap verwaterd was. Ik herinner me hem vooral als een heel trouwe maat: als je intens met hem samenwerkte, werd dat een broederband. En omgekeerd gold: als je hem klootte, kon je het wel schudden.

Onze vriendschap dateert van bij Humo: daar hebben we de jaren negentig samen meegemaakt. Marc Van Springel, Raf Sauviller, (pdw) en ik, samen in dat kleine rookhol: dat leverde legendarische donder- en vrijdagen op. Dan kwam hij binnen met een plastic zak vol drank en een joint in zijn mond, en vervolgens was het: lachen, gieren, brullen. Dat voelde toen allemaal logisch- we stonden er niet bij stil dat we een opwindende tijd beleefden. Pas achteraf besefte ik: dat was memorabel.

(pdw) was een vals genie: iemand die zichzelf in de zeik durfde te zetten. Door die zelfrelativering zag je soms niet hoe scherp en eloquent hij de dingen zei en opschreef. Ik vergelijk hem graag met Pete Townshend van The Who. Hij was de pinball wizard van het woord. En iedereen mag wel zeggen dat The Who minder briljant was dan The Beatles, maar ik blijf ze stiekem béter vinden.'

Marc Didden (gewezen Humojournalist): 'Nul diploma's, veel talent'

'Wat ik in (pdw) zo bewonderde, was dat hij het allemaal zélf had gedaan. Hij was een self made man: nul diploma's, veel talent. Een autodidact, ja. Op die manier werd hij eerst een geweldig goeie muziekrecensent. En later, toen hij zelf op het podium ging staan, kwam hij ook daar perfect mee weg. Muzikant, producer, tekstschrijver: het ging hem allemaal goed af.

Hij was fundamenteel eerlijk. 'What you see is what you get': (pdw) kronkelde nooit om de waarheid heen. Daardoor was het erg makkelijk om hem graag te zien.'

Vincent Loozen (gewezen chef propaganda bij Humo): 'De niet zo stille kracht'

'Mijn hele professioneel leven heb ik gedeeld met (pdw): eerst bij Humo, later bij Mao en Deng, en uiteindelijk bij televisiezender Acht. In 1991 begon ik bij Humo. Ik hield me er bezig met wat nu marketing heet - toen was dat nog 'dienst propaganda'. Ik bewonderde hem om zijn virtuoze pen, om zijn parler vrai en gewoon om wie hij was: trouw, aimabel, grappig. Als hij op de redactie ging werken, was dat voor anderen een argument om ook te komen. Hij was een volbloed animator: hij kon een plek en een gezelschap doen léven.

(pdw) was een man die het merg uit het leven zoog. Op een ontzettend devote manier streefde hij het 'pluk de dag'-principe na. En tegelijk was hij een harde werker: zijn stukken waren altijd op tijd klaar. En dan kon het jolijt beginnen. En ondanks het feit dat er de afgelopen jaren ruis op de relatie tussen (pdw) en Humo zat, weet ik heel zeker dat hij diep in zijn hart altijd een Humosoldaat is gebleven. Ik weet niet of iedereen wel voldoende beseft hoe hard we in Vlaanderen figuren als (pdw) nodig hebben. Hij was de niet zo stille kracht achter heel veel goeds in de media.

Ik had met hem geen diepfilosofische gesprekken: (pdw) was niet van de tierlantijntjes. Maar dat hoefde ook niet: hij was de perfecte vriend. A jolly good bloke, verdomme.'

>> Het beste uit de rockrecensies van (pdw) <<

'Ik voelde me als een miljoen lire': het beste uit de rockrecensies van (pdw)

Ze went maar niet, de gedachte dat we 't voortaan zónder de woorden van (pdw) moeten doen. Daarom: een overzicht van het rock-'n-rollste dat uit zijn pen drupte als rockjournalist bij Humo. 'Ik mag Cher wel', en andere bekentenissen!

'De single 'It's my life' kent u ongetwijfeld: krijsende flamingo's, een voorzichtige ritmesectie, 42 treurende synthesizers en vooral het gejammer van Mark Hollis, de man die de doodsrochel met de lokroep van de bronstige sneeuwhaas wist te combineren en er een platencontract aan overhield.'

(Over Talk Talk, 1984)

'Als kind was ik een beetje bang van hem. In '66 was 'Lana' niet weg te schoppen van de jukebox in mijn vaders café, en ik had er een Presley-achtige figuur bij verzonnen. De man die ik later in 'Tienerklanken' zijn liedje zag zingen, leek in niets op de rock-'n-roller die in mijn gedachten met zijn heupen snokte tijdens 'Pretty Woman'. Hij had meer iets van een vermoeide nachtwaker, witjes weggetrokken door gebrek aan slaap. Maar de warme gloed van 'Crying', 'In Dreams' en 'Only the Lonely' verraadde de passie die woedde in deze rustige man.'

(Over Roy Orbison, 1988)

'Wie van Costello's 'Spike' hield, is nu al op weg naar de platenboer. Zoals de klant zei toen zijn gat niet groot genoeg bleek om er een driemaster op te tatoeëren: de rest kan mijn rug op.'

(Over Elvis Costello, 1991) 

'De met Grammy's behangen CD 'Nick of time' leverde Bonnie Raitt de meest verrassende comeback op sedert Jan Theys van Guido Depraetere een nieuwe toupet en een uur zendtijd kreeg. Het enige wat ze daarvoor heeft moeten doen is stoppen zich lazarus te hijsen. De rest kon ze al. Door gewoon te blijven doen waar ze goed in is, slaagde ze erin op wel bijzonder indrukwekkende wijze uit de vergetelheid te ontsnappen, iets wat men in showbusinessmilieus 'doing a Tina Turner' noemt ('doing a Yoko Ono' betekent: een groep doen splitten, 'doing a Cher' betekent: tieten en kont van plaats laten verwisselen).'

(Over Bonnie Raitt, 1991)

'Ik doe altijd eerst een paar stappen achteruit telkens als mij een plaat met Boodschap wordt overhandigd, want niets is funester voor rock-'n-roll dan Goede Bedoelingen.'

(Over Garland Jeffreys, 1991)

'Het zijn geen platen die een hele gene­ratie tot beeldenstormen hebben aangezet, niemand die ernaar heeft geluisterd bezweek aan de verleiding orn het okselhaar paars te verven, en er zit abso­luut geen boodschap in verpakt of het zou 'luister hier eens naar!' moeten zijn. Ze bevatten slechts popmuziek. Maar wel van het soort dat in het hoofd blijft spoken, hier en daar een hersencel minzaam over de bol aaiend; in beproefde tradities geworteld maar tegelijk fris en persoonlijk; meeslepend en me­lancholiek, maar evengoed op­windend en spits; sober maar verdomd handig in mekaar ge­zet. Kortom: pure, perfecte pop.'

(Over Crowded House, 1991)

''Blood Sugar Sex Magik' is teringherrie van hoge kwaliteit, een cd om biefstukken bij te bakken en met de geliefde bij tekeer te gaan op de wijze der bokken. Laat het ongebreideld van bil gaan een aanvang nemen!'

(Over Red Hot Chili Peppers, 1991)

'God is dus een norse man die van jazz houdt, met Georgie Fame optrekt, en een mondje over Jack Kerouac kan meepraten. God mag graag, met grote gedachten gevuld, bij valavond door natte weiden lopen, tot aan het middel aan het zicht onttrokken door een uit pure Zen samengestelde mist. God gedraagt zich ook af en toe nogal silly: wanneer Hij plaatjes maakt met Cliff Richard op de wijze van Up With People, bijvoorbeeld. Maar dat maakt Hij dan weer goed door een zeker gevoel voor humor aan de dag te leggen en bijvoorbeeld Tom Jones een verrassende duw in de goeie richting te geven.'

(Over Van Morrison, 1991)

'Zoals ik al zo vaak, een beetje gewichtig naar het plafond van het café starend, tegen onbereidwillige meisjes heb gezegd: jazeker, maar lelijk kan soms prachtig zijn.'

(Over Tom Waits, 1992)

'In de wereld van Springsteen gaat de zon altijd een beetje onder, dikwijls kun je in de verte een fabriekspoort voor de allerlaatste keer horen dichtslaan, en die Stem, soms een geweldige grom, dan weer een van ingetogen soul trillende zalf, vertelt over de verzuchtingen van kleine mensen in het grote, complexe Amerika. Het zijn verhalen waarin mannen uit boterhammendozen eten en waarin vrouwen het hof worden gemaakt op de achterbank van een Chevy, met de stoutmoedige woorden: ik beloof je uit dit godvergeten nest weg te halen, baby, maar tot het zover is wil ik hier aan de oevers van de rivier met jou onder de maan zitten.'

(Over Bruce Springsteen, 1992)

'Veertien zijn is vreselijk. Al is er van enige baardgroei nog nauwelijks sprake en moet je op je laatste melktanden bijten om niet in snikken uit te barsten bij Disney-films als 'Jodie en het hertenjong', plots ben je geen kind meer maar word je door je omgeving als een bonsai-volwassene beschouwd. De missing link tussen het onbezorgd snotneuzenschap en het man worden.'

(Over Emerson, Lake & Palmer, 1992)

'Tevreden aan mijn pijp lurkend laat ik via bemoedigende knikjes mijn goedkeuring blijken. Deze Dylan bevalt me immers een stuk beter dan degene die ik een paar jaar geleden in Torhout zag en hoorde. Toen had hij de onverklaarbare neiging alle songs van dezelfde melodie te voorzien, en wel één die het midden hield tussen een niesbui en het geluid van tegen mekaar aan flappende sinussen, wat in principe twee keer hetzelfde is en zo klonk het ook.'

(Over Bob Dylan, 1992)

'Soms vraag ik me wel eens af: hoe ziet Suzanne van Interlabor er eigenlijk uit? Of: hoe zou de wondere wereld der popmuziek er hebben uitgezien als The Beatles er niet waren geweest? Vooral die laatste vraag houdt me op dit moment nogal bezig.'

(Over The Beatles, 1993)

'Er is niets aan te doen. Bij iedere beluistering zet iemand een warme kruik in ons hart en even lijkt het alsof het leven zoals een Rock-O-La is: men hoeft slechts de slechte plaatjes door goeie te vervangen, en mits genoeg vijffrankstukken is het geluk binnen handbereik.'

(Over Paul McCartney, 1993)

'Terwijl thuis de steak au poivre alvast het Heilig Oliesel krijgt toegediend, moet ik de deadline tot mij nemen, die tot mijn afgrijzen sinds kort ook in suppositoirvorm verkrijgbaar blijkt te zijn.'

(Over The Frank & Walters, 1993)

'De 'No Sleep till Brooklyn'-tournee hield halt in Hasselt, fight for your right to party luidde die avond de kreet en dat was niet tegen dovemansoren gezegd: ik liet tijdens en na het concert de goede tijden rollen als betroffen het ballen gehakt op een schans. Het volstaat te zeggen dat, toen ik 's anderendaags wakker werd, ik een tand en een aanzienlijk bedrag armer was en een jurk droeg, en dat mijn hoofd aanvoelde of er een ploeg illegale fruitplukkers in resideerde. Ik voelde me als een miljoen lire. Maar wel gelachen.'

(Over Beastie Boys, 1994)

'Dit is de geknipte muziek om schoudervullingen en leren Versace-broeken bij te dragen, om bij te zonnebanken, om de Avenue en Exclusief bij te lezen, om een zondagse brunch (quiche, kaassouflé en bijhorend slaatje) of het herschilderen van de woonkuil (in muntgroen) van een gepaste soundtrack te voorzien.'

(Over Sade, 1994)

''Ik probeer extreme evidenties in de muziek te vermijden,'  hoorde ik Tom Barman in Het Vrije Westen zeggen, wat een beetje als een extreme evidentie overkwam. Zoals Luc Nilis die zijn strategie samenvat als : 'In principe probeer ik de bal zo vaak mogelijk in het doel van de tegenstander te schoppen.' Wie Tom Waits en Captain Beefheart tot zijn grote voorbeelden rekent, loopt immers weinig gevaar om tijdens het songschrijven op 'La paloma blanca' uit te komen.'

(Over dEUS, 1994)

'Waar de 'Bat'-platen zich niet onder de mensen begaven zonder zich eerst een weinig te hebben besprenkeld met het verfrissende eau de toilette genaamd humor, riekt 'Welcome to the neighbourhood' opvallend naar kalfsleren attaché-koffertjes zoals alleen kalfsleren attaché-koffertjes ruiken wanneer ze tijdens een executive board meeting door een gewiekste advocaat op de mahoniehouten onderhandelingstafel worden opengeklapt. Dit is geen plaat maar het resultaat van een zakenlunch.'

(Over Meat Loaf, 1995)

'Je kunt gitaarkampioen Walter Trout veel gemakkelijker spierzalf dan goeie smaak aanwrijven. Een jeu de mots dat mank loopt, maar dat doe ik zelf ook sinds ik tot vlak onder de knie in het gips zit. Met dat 'tot vlak onder de knie' bedoel ik uiteraard van onderen naar boven en niet andersom, waardoor ik in de onmogelijkheid zou verkeren u over deze plaat kond te doen.'

(Over Walter Trout Band, 1995)

'Als er één overheersend thema in Zappa's oeuvre te vinden is dan is het dit: jazeker zijn de idioten aan de macht, maar laten we de moed er toch maar in houden.'

(Over Frank Zappa, 19 december 1995)

'Titelsong 'Morning Glory' gaat over de hel van the morning after, wanneer bij het ontwaken blijkt dat een met zurig mos bedekte kassei de plaats van je hersens heeft ingepalmd. Of dat iemand ongevraagd je tepels heeft gepiercet. Het is een moordsong en dat is ook niet verwonderlijk want er zitten hele happen uit REM's 'The One I Love' in. Afsluiter 'Champagne Supernova' is geknipt om bij valavond door een volle festivalwei te worden meegezongen. 'Where were you while we were getting high?' vragen ze in het refrein. Ik zat toen, geloof ik, net naar de nieuwe van Blur te luisteren.'

(Over Oasis, 1995)

'Bind mij op een surfplank, laat Sloop John B. zijn gang met mij gaan en noem mij herhaaldelijk Barbara-Ann, maar nooit ga ik er vanaf: 'Pet Sounds' van The Beach Boys is de quintessentiële pop-elpee, de beste popplaat aller tijden.'

(Over The Beach Boys, 1997)

'Ik mag Cher wel. Jazeker hebben we het hier over een van de weinige soloacts die kunnen splitten en ja, na Sonny's onfortuinlijke kennismaking met een onverzettelijke spar heeft ze zich zo aangesteld dat ik eventjes vreesde dat ze het lijk zou opgraven om er een keer goed aan te schudden, in de hoop dat er nog wat wisselgeld uit de zakken zou vallen, maar die hete, diepe stem mag ik graag horen.'

(Over Cher, 28 december 1999)

'Adeles 'Chasing Pavements' is een song die dat hoekje van het humeur afstoft dat sinds 'I Just Don't Know What to Do with Myself' van Dusty Springfield geen plumeau meer had gezien.'

(Over Adele, 2008)

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven