Bij de uitvaart van Jan Wauters

20301_JanWauters_JJ12.jpg
© Johan Jacobs

Guy Mortier

Ik heb Jan Wauters leren kennen tijdens de Ronde van Frankrijk van 1970, die ik, als zogenaamde 'Derde Man', drie weken lang voor de BRT-radio mocht volgen in het gezelschap van de legendarische radiosportredactie van toen, bestaande uit Piet Theys, Jan zelf en Marc Stassijns. Het was mijn taak na afloop van elke rit een stukje in te lezen over wat ik zoal had gezien.

Meestal coureurs.

Dat zien deed ik van op de achterbank van de (toen nog) BRT-volgwagen, of, als daar eens plaats was, achterop de motor, en toen er één keer helemaal géén plaats was, achterop de fiets bij Eddy Merckx, die toen zo sterk was dat hij de rit naar de Ventoux toch won.

Leader of the pack was Piet Theys, Jans 'ontdekker' en grote voorbeeld - ook een begenadigd sportverslaggever, ook zeer bezig met taal. In die cocon mocht ik binnen.

Wat me van Jan toen vooral is bijgebleven is dat hij altijd straalde. Altijd zeer vriendelijk, altijd lachend, altijd die opwaartse krul in de mondhoeken, altijd erop uit om pret te maken.

Hij was natuurlijk jong en sterk en gedreven. Hij barstte van talent en hij daverde van energie. Dat typische Jan-Wauters-achterop-de-motor-over-de-keien-geluid (roffel voor een maximaal effect met beide vuisten op de eigen borst): 'En daar trekt Zoetemelk alweer ten aanval' - slecht voorbeeld, oké - kwam niet zomaar out of the blue, dat wás hij. Knetterend van intensiteit. Ook thuis, heb ik mogen meemaken. (Borstroffel: ) 'Nog iemand een glaasje wijn?'

Bliksemsnelle analyses. Poëtische beelden die veel meer lieten zien dan de tv-camera's. Epische beschrijvingen die je thuis bij de radio mee de bergen op joegen of diep mee in de afdalingen stortten. Het heetst van de strijd. Hemel en aarde trachten te vangen in prachtig geformuleerde zinnen, in die onnavolgbare cadans.

De definitieve radiosportverslaggever, zo kent iedereen hem. Maar hij heeft ook mee aan de wieg gestaan van een andere discipline, waarin hij algauw ook schitterde: het grote geschreven sportinterview. Breder, dieper, diepgaander en confronterender dan alles wat tot dan toe voor sportinterview moest doorgaan - als het er al was. Een goed gesprek op niveau met sportmensen bestond gewoon niet.

En dus had ik Jan gevraagd of hij voor Humo een team wilde vormen samen met Herman De Coninck, zelf een begenadigd schrijver en interviewer en ook door sport gefascineerd. Ze mochten mekaar voordien al graag, nu werden ze a match made in heaven.

Samen zetten ze meteen de standaard, en die lag olympisch hoog. Maar wie hen tot zich toeliet, heeft het zich niet beklaagd. Goed geïnterviewd worden is een cadeau.

Hermans werk was het om, als het interview was afgenomen, (nooit voordien!), de bandjes uit te tikken, mede omdat Jan daar door zijn radiowerk geen tijd voor had.

Waren de teksten uitgeschreven, dan kwam Jan naar de Cogels-Osylei in Berchem afgezakt, waar Herman woonde. Ik heb hen daar vaak mogen aantreffen, bij een goed glas, Jan altijd in pak en met die stralende lach, Herman met die droeve grijns van hem, allebei met hun vulpen boven de teksten.

Dan ging het vaak door tot een stuk in de nacht, tot het werk helemaal af was en ik het stuk in mijn brievenbus hoorde vallen. De kroon op het werk was altijd de inleiding; die schreef Herman meestal, maar wel op aangeven van Jan. Eén enkele keer schreef Jan ze zelf. Ik heb hem er nog jaren mee uitgelachen.

Jan genoot enorm van zijn Humo-jaren met Herman, zei zijn vrouw me gisteren nog. Het waren zeer gelukkige jaren. Hermans portret hangt trouwens nog altijd boven Jans bureau.

A match made in heaven. En nu zitten ze daar weer, allebei.

Kan me niet schelen hoe u het vindt, maar ik vind het mooi om me die twee high in the sky opnieuw samen aan tafel voor te stellen, en er mag gerookt worden en er staat een trappist op tafel, en Jan maar lachen, en Herman maar grinniken.

En straks valt er weer een stuk in de bus.

Bedankt, Jan.

Tom lanoye

Geachte sportievelingen. Voor u staat, behalve een rouwende vriend, ook een ketter. Ik weet geen bal af van uw heilige koe genaamd De Sport. Ik pleng mijn bloed, dat drukinkt heet, liever op het altaar van de letteren, het toneel en zelfs ? ik beken het zonder gêne ? de opera.

Het verschil is dat ik niet smalend neerkijk op sport, zoals de meeste sportlui neerkijken op klassiek toneel. Tenzij ze natuurlijk bij wijze van mallotig uitgevoerde schwalbe een onverdiende penalty proberen los te wurmen van een bijziende scheidsrechter. Dan is opeens geen theatertruc hun te min. Platte komedie en veel te grote gebaren doen het altijd goed voor de eigen tribune, vol uitzinnig wordende stamgenoten. Misschien is dat wat mij, in de loop der jaren, nog het meest is gaan tegenstaan aan vooral voetbal.

Ik had al lang helemaal afgehaakt, van alle sport, als daar niet ooit iemand was geweest als Jan Wauters. Dankzij hem ben ik, in mijn kleine kokette ketterijcocon, toch altijd een sportieve agnost gebleven. Een afvallige die er diep vanbinnen naar hunkert om ooit terug te worden opgenomen in de moederkerk van alles wat sport zo grandioos en meeslepend kán maken. En dienaangaande heeft Jan Wauters mij meer gevormd dan vele van mijn leraren en sommige van mijn literaire voorbeelden.

Alleen: je besefte dat niet, terwijl dat vormsel plaatsvond. Het was een tweede, zoveel betere communie, al vond ze gewoon thuis plaats, zonder wierook of orgelmuziek. Je moest er ook weinig voor doen, behalve kijken en luisteren.

Naar het volgende tafereel, bijvoorbeeld.

Mijn vader staat in de werkplaats van zijn slagerij, met bebloede schort en blozende wangen, en hij houdt glunderend van de opwinding onze Schaub Lorenz-transistorradio aan zijn ietwat dove oor, de volumeknop op het maximum. Hij kijkt me verrukt in de ogen terwijl hij aanmoedigingskreten uitstoot die bedoeld zijn voor een man die zich duizend kilometer verderop de ziel uit het lijf rijdt, een bergtop en een historische overwinning tegemoet. Hij laat zich meeslepen, mijn vader, door een tweede kerel die van op de duozit van een motor de ultieme jump van die eerste kerel zodanig lyrisch beschrijft dat mijn vader en ik het voor ons geestesoog zien gebeuren. Dat eenmansgevecht tegen het 'velooke', het lijkt zich bijna hier ter plekke af te spelen, tussen de worsten en de varkenskarkassen.

Mijn vader dronk de woorden van Jan Wauters in zoals hij 's avonds kon genieten van een biertje. Met volle teugen en met volle overgave, en in het allergrootste vertrouwen. Het was een onvergetelijke en hartveroverende aanblik. Maar het zou niets hebben betekend zonder dat swingende, dokkerende sportgebed van één man op een motor, ergens in een zonovergoten Frankrijk... Dat te mogen zien, dat te mogen horen: dat was mijn tweede communie. Mijn betere vormsel. Een draadloze initiatie in de kracht van het gesproken woord.

Veld van eer

Maar ik wijk af. Ik had aan Thérèse, de vrouw van Jan, beloofd om hier vooral een gemeenschappelijke liefde voor mijn rekening te nemen. Zijn en mijn tweede vaderland. Zuid-Afrika, en alles wat daarbij hoort aan overdonderende landschappen, hartveroverende mensen, onthutsend goede wijnen, onthutsend slecht voetbal, en die ene taal waarin Jan Wauters en ik eindelijk een volstrekt gemeenschappelijk terrein aantroffen. Een veld van eer waarop we eindelijk samen een partijtje konden spelen, meer met elkaar dan tegen elkaar. Ik heb het over het Afrikaans. Nee, niet het Nederlands. Voor mijn Nederlands werd ik minstens één keer per jaar door Jan op mijn tong getikt.

Jammer toch, vond uitgerekend hij ? hij: bezitter van één der beste articulatiemechaniekjes van ons taalgebied, één der mooiste stemmen van het land, een volautomatische grammaticamachine en een zelden melige metaforenfabriek ? jammer toch, vond hij, dat ik nooit deftig werk had gemaakt van dat dringende bezoek aan een logopedist, om die verschrikkelijke 'a' van mij weg te werken. Pas op, Jan had recht van spreken. Hij kwam al van Mechelen toen hij ook nog eens in het Waasland ging wonen. Twee plaatsen waar elke soort van 'a' nog altijd meer gemaltraiteerd wordt dan een trekezel in de middeleeuwen.

Eén van de redenen waarom ik houd van het Afrikaans, is precies omdat mijn vuile Nederlandse 'a' exact de nodige 'a' is in het Afrikaans. Volgens Jan was dat echter geen meevaller. Het was, vond hij, mijn definitieve smoes om mijn gat te vegen aan mijn schabouwelijke uitspraak. Hij zei dat ietsjes hoffelijker, maar daar kwam het wel op neer.

Ik gaf hem meteen volmondig gelijk. Een ander mens zou vanaf dan zijn schouders hebben opgehaald. Niet zo Jan. Hij bezat nu eenmaal niet het soort schouders dat het gewend is om te worden opgehaald. Ophalen? Dat was iets voor broeken en voor schotbalken, niet voor de schouders van Jan Wauters. Hij had vele talenten, maar onverschilligheid hoorde daar niet bij. Die man ging dóór. Ik herhaal: die man ging door! Zijn kunde werd naar de kroon gestoken door een zekere koppigheid. In zijn werk zowel als in zijn leven, heb ik begrepen.

Zodoende kreeg ik niet meer te horen dat ik naar de logopedist moest. Het klonk nu zo: 'Zijn Afrikaans is tien keer beter dan zijn Nederlands.' De pretogen waarmee hij dat vertelde aan mensen aan wie hij me kort daarvoor nog had voorgesteld als 'misschien wel de belangrijkste nog levende schrijver van mijn geboortestreek', verrieden dat hij niet alleen ietwat koppig was. Hij hield ook van plagen.

Dankbaar publiek

Wie van plagen houdt, houdt van het leven. En Jan Wauters hield van het leven, hartstochtelijk, al schoof hij zichzelf nog zo graag naar voren als een parttime hypochonder. Een beetje theater was hem toch niet helemaal vreemd.

Nodigde hij mijn vent en mij uit in Paarl, zijn Zuid-Afrikaanse thuisbasis? Dan voerde hij ons met zijn wagen eerst de hele streek door, honderduit commentaar leverend zoals weleer, alsof hij thans een onbezoldigde stadsgids was die wel eens eventjes zou bewijzen hoe deze streek het best verkocht kón worden. Dat ritje, met die commentaarstem erbij, was op zich al een voorrecht. (Ik zat wel geregeld achterom te kijken: waar bleef toch dat peloton? Zozeer hoorde deze stem bij heroïsche gevechten op twee wielen.)

De tocht voerde ons langs adembenemende ravijnen, nog zwartgeblakerd van een recente bosbrand, die hij ons zodanig goed uit de doeken deed, in alle geuren en kleuren, dat we het er heet, benauwd en dorstig van kregen. Toen ging het uiteraard naar een eet- en drankgelegenheid die hij zelf had ontdekt, en waar het panoramische uitzicht even imponerend was als de kwaliteit van de chardonnay. Hij kende al die geheime toverplekjes en werd overal uitgelaten onthaald. 'Daar 's hy! Mijnheer Jan! Madam Trees!' Waar hij ook verbleef, hij leek na een paar maanden iedereen te kennen.

Onvermijdelijk eindigde de excursie op een pittoresk kerkhofje, waar Jan bij de meeste graven zowaar ook verhalen begon af te steken, alsof hij de aflijvigen zelf nog had gekend. Hij was iemand die, zeg maar, altijd zijn huiswerk deed. 'Hier voel ik mij nu goed,' zei hij, tot besluit, ons met een weids gebaar nogmaals de zerken en de ceders tonend. 'Op een prachtig kerkhofje als dit.'

Maar tezelfdertijd stond hij, alle tristesse ten spijt, te blinken van contentement en levenslust à tout prix. Want hij had toch maar mooi op eigen houtje dit juweeltje gevonden. En hij had het toch maar mooi kunnen delen, met ons, met anderen. Met een dankbaar publiek, al bestond het maar uit twee.

De klank van een taal

In Paarl staat één van de eigenaardigste bouwwerken ter wereld. Het Taalmonument ? een landmark opgedragen aan onze zustertaal, het Afrikaans. Het is goddank een unicum. Ik zou niet graag het monument zien dat één of andere ontwerper moet wijden aan ónze moedertaal. Laat staan aan mijn dialect.

Jan was het aangaande het Taalmonument niet helemaal eens met mijn oordeel, maar ook dat was voor hem een onlosmakelijk onderdeel van het leven zelf. Het werd een tweede gemeenschappelijk terrein waarop wij ons konden meten: de homerische discussie. Het bloemrijke aanvallen van andermans stellingen en het uitgekookte verdedigen van het eigen standpunt. Hoe dan ook, ik blijf het taalbouwwerk in Paarl lichtjes lachwekkend vinden. Ik zou er graag eens een freudiaanse ontleding van zien. Het betreft een paar hele en halve fallussen, een paar hele en halve ballen, een paar onverwachte spelonken en een fonteintje of twee. Het zou me niet verbazen als je bij een analyse niet uitkomt bij Freud, maar bij markies de Sade.

Laat mij, ten afscheid, het oordeel minstens als volgt formuleren. Als het aankomt op taalmonumenten, horen we nimmer bij bouwsels uit te komen, maar bij wandelende wonderen. Alleen in dat opzicht was het geen toeval dat Jan Wauters in Paarl was beland. Soort zoekt soort ? Trees de parel, hij het monument. Tegen wil en dank. Voor de rust en de roest van monumenten is hij zich steeds blijven verzetten. Tegen de vleierij die erbij hoort, nog meer.

Vergeef me, Jan. Want dit is geen gevlei. Het is de waarheid. En het is pure dank. Het worden voortaan bizarre bezoeken, aan het stadje Paarl. Hoe majestueus de bergruggen ook mogen torenen, en hoezeer het Taalmonument ook mag lokken met zijn spitsen en zijn halve bollen, ik zal daar steeds iets missen. De klánk van een taal, de muziek van haar zinnen. En een man die ze beheerste als geen ander.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven