
De Scruton-versie van conservatisme houdt een diep wantrouwen in tegenover oplossingen van hogerop, en tegen grote 'maatschappelijke projecten'. Maar zou de opwarming van de aarde nu niet precies om dat soort oplossingen vrágen? Volgens hem niet. Hij ontkent het broeikaseffect niet, maar hij relativeert wel de bijdrage die de mens daaraan levert.
De mensheid is wel vaker vervallen in vlagen van collectieve angst - dat is een overblijfsel uit de tijd dat we nog in stamverband leefden - en op zulke momenten slaat het commandodenken toe: we moeten met zijn allen achter die éne oplossing aan.
Het Kyoto-verdrag, bijvoorbeeld: voor Scruton biedt dat geen oplossing, omdat het verdrag van bovenaf opgelegd wordt en onaanvaardbaar diep in de directe belangen van de grootste broeikasproducent, de Verenigde Staten, snijdt. Door Kyoto te aanvaarden, zouden de States zichzelf juist beroven van de middelen om op zoek te gaan naar schone energiebronnen.
Kunnen we in afwachting daarvan dan helemaal niets doen? Toch wel. De aarde zal gered worden door mensen die om haar geven, maar niet door het 'planetaire denken'. De echte groenen zijn mensen die als goede rentmeesters zorgen voor hun directe omgeving, op kleine schaal.
Traditionele verbanden, oude rechtsregels en – moeilijk te slikken voor links - eigendomstitels helpen daarbij heel erg. Een typisch voorbeeld is de redding van bepaalde Engelse rivieren door hengelclubs: ze kochten gronden langs de oevers op, en konden als eigenaars de zuivering van het water afdwingen voor de rechtbank.
'Groene Filosofie' reikt veel verder dan dit soort praktische probleempjes: in andere hoofdstukken boort Scruton diep naar de fundamenten van plicht en geluk. Zijn proza krijgt dan zelf ook iets van het gedreun en gestamp van een zware boorinstallatie.
Conclusie: een groene moraal bedenken, is een industriële onderneming van de geest.

























0 reacties
reageer ookReageer ook