
Fredricksen verliest alle grond onder aan haar voeten wanneer haar man er onverwacht vandoor gaat met een jongere collega. Daar komt zelfbeklag van ('Ik bedacht grimmig dat er zelden plaats voor mij en het mijne was geweest, dat ik altijd een krabbelaar van het gestolen moment was geweest') en rancune ('Ik had zin om hem een grote klodder spuug te sturen'), maar vooral verlatenheid - de kanker van de melancholicus.
Fredericksen belandt kortstondig in de psychiatrie, en trekt zich daarna terug in haar geboorteplaats. Daar bouwt ze een aandoenlijke vriendschap op met haar tijdelijke buurvrouw, die te lijden heeft onder een balsturige echtgenoot. Fredericksen zoekt ook soelaas bij een klasje prepuberende meisjes dat ze de charme van poëzie wil bijbrengen.
Peu importe of dat werkelijk lukt - het contact met de meisjes die praten in 'het merkwaardige, imbeciele dialect van het vroegvrouwelijke' is vooral een confrontatie met haar eigen jonge zelve. En zodoende een herinnering aan uitsluiting en bijbehorend larmoyant ongeluk.
Veruit de ontroerendste verhaallijn is die van Fredericksens moeder en haar vriendinnen - oudjes in de eindtijd van hun leven, vechtend voor knook en spier in een verzorgingstehuis. Teder zijn de liefde tussen moeder en dochter, en de vriendschap die Fredericksen met één van de besjes opbouwt - een goochem mensje dat haar borduurwerk stiekem van pikanterieën voorziet. En voetje voor voetje verbreedt de wereld van de in de steek gelaten vrouw, en komt er ruimte voor introspectie.
Ernst en luim doen voortdurend haasje-over in 'De zomer zonder mannen': Hustvedt heeft een ironische sluier over haar vertelling gedrapeerd, maar heeft er tegelijk een flinke intellectuele fond onder gestoken. Haar passie voor poëzie komt op elke pagina opspelen, en ze zet vaak in op hoogfilosofische beschouwingen.
Niet zelden spreekt ze daarin de lezer rechtstreeks aan, op een verontschuldigend toontje, alsof ze zich excuseert voor dat intellectuele gefröbel. Hoefde niet: her en der verliest Hustvedt zich weliswaar in abstracte drammerigheid, maar die essayistische stukken contrasteren voor het overige aangenaam met de recht uit het hart getapte wanhoop van 'een gewone huis-tuin-en-keukenneuroot'.
Het resultaat is een even geestig als slim boek over de vrouwelijke sekse, en alle aanhangsels die daarbij horen - de man, het huwelijk, seks.
'Van een afstand gezien en ontdaan van intimiteit zijn we allemaal kolderieke personages, kluchtige fratsenmakers die door het leven stuntelen en er onderweg een flink zootje van maken. Maar kom je dichterbij, dan verbleekt wat lachwekkend was algauw tot iets armzaligs of tragisch of ronduit droevigs.'
Siri Hustvedt heeft goed gekeken.





















![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)



0 reacties
reageer ookReageer ook