
Nu het langverwachte slotdeel van de ambitieuze trilogie helemaal langs onze afgekloven vingerkootjes gepasseerd is, rest in elk geval - driewerf helaas - een onvoldaan gevoel, even zeurderig als hardnekkig.
Rewind: wat leerden we in Boek Een en Twee? Aomame, instructrice in een sportschool en doodsengel van misogyne mannen, en Tengo, wiskundeleraar en schrijver zonder publicaties, ervoeren op hun tiende een diepmagisch moment van intense verbondenheid. Twintig jaar lang hebben ze de herinnering aan die allesverterende liefde gekoesterd, om op hun dertigste eindelijk toe te geven aan de onweerstaanbare aantrekkingskracht.
Hun droom liet zich niet makkelijk najagen: aan het eind van Boek Twee lieten we Aomame achter met de loop van een automatisch pistool in haar mond, terwijl Tengo op zoek naar haar door de donkere herfstnacht dwaalde. De cliffhangende hamvraag is die van veel verhalen en niet minder levens: zullen de twee elkaar krijgen?
Murakami haalt alles uit de kast om die kwestie bijna vijfhonderd bladzijden lang spannend te houden. Zo krijgt Boek Drie er een extra verteller bij, waar in Boek Een & Twee de Aomame- en Tengo-hoofdstukken elkaar gezwind afwisselden: de aan lagerwal geraakte advocaat Ushikawa, die in opdracht van de sekte Voorhoede achter de moordenares van hun leider aangaat.
Terwijl Aomame en Tengo in hun hoofdstukken in deze 'Liefde in tijden van cholera' op z'n Murakami's voluit smachten, dolen en (wan)hopen, houden de Ushikawa-hoofdstukken de boel telkens vakkundig op: de man probeert via Tengo te weten te komen waar Aomame zich bevindt, legt de puzzelstukjes samen van het zich parallel aan 1984 ontplooiende universum 1q84, en draait vrolijk identieke rondjes - alsof de lezer van Boek Drie gedwongen wordt over de schouder mee te lezen met een lezer van Boek Een & Twee.
Een surplace kan spannend en mooi zijn, zeker als de erop volgende eindspurt verbluft. Maar dat valt een beetje tegen, Murakami zet alles in op het hem typerende romantische escapisme en laat daardoor beloftevolle aanzetten uit Boek Een en Twee liggen: het spiegelspel met '1984' van Orwell valt stil; over de Little People, iconische mystieke wezentjes die de wissels bedienen naar het parallelle universum van 1q84, wordt slechts herhaald wat we al wisten; en er wordt al te weinig toegevoegd aan de verkenning van de ontwrichtende en troostende kracht van verhalen. Boek Drie struint langs vertrouwde paden, verzuimt uit te diepen wat voorafging, trappelt ter plaatse.
Zo moet hier, als het pas gewette blad van een guillotine, het woord vallen dat je in een Murakami-recensie het minst verwacht: voorspelbaarheid. Al hoeden we ons in onze ontgoocheling voor overdreven somberte, Murakami blijft natuurlijk wel een schrijver van wie we elke letter gretig opzuigen. Daar verandert '1q84, Boek Drie' niks aan. Want de Japanner blijft een meester in terloopse poésie pure, bijvoorbeeld in landschapsbeschrijvingen.
Hij weet te ontroeren, bijvoorbeeld in de passage van Tengo aan het sterfbed van zijn vader. Hij gaat verrassend aan de slag met het door pulp geannexeerde duo seks en geweld, bijvoorbeeld in het voorlaatste Ushikawa-hoofdstuk. Hij kan onnavolgbaar droom en werkelijkheid als een verliefd koppel met elkaar laten dollen, elkaar laten uitdagen en in elkaar laten opgaan. Allemaal niet niks, wel het ontzag afdwingende werk van een ook in zijn mindere momenten unieke grootmeester.





















![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)



1 reactie
reageer ookOlisadebe
Woensdag 2 maart 2011 - 09u24
De kunst van het recenseren bestaat ook uit veel kunnen vertellen over het boek zonder de clou weg te geven. Helaas is dat hier niet gelukt...
Reageer ook