Koen Peeters - De bloemen

, door ()

6068_catalogue_10327_detail.jpg

In 'De bloemen' (Meulenhoff/Manteau), de opvolger van het bejubelde 'Grote Europese roman', doet Koen Peeters gelukkig geen van beide. Hij schrijft een tere (gefictionaliseerde) familiekroniek, een liefdevolle verkenning van de levens die vóór hem geleefd werden, en van de streek waarin dat plaatsgreep. De Kempen, that is.

Wanneer hij zich aan het schrijven zet, zijn zijn ouders en grootouders al overleden. Een nonkel is evenwel komen aandraven met een bundeltje brieven die Peeters' grootmoeder vanuit het onooglijke Gierle aan haar zonen zond toen die op internaat zaten. Meteen zuigt de auteur zich vol: hij leest, luistert naar de verhalen van zijn nonkel en gaat zelf op pad in zijn geboortestreek. En schrijft het verhaal neer van Louis, zijn grootvader, een verkoper van eieren en boter die dagelijks stadslucht ging snuiven in Antwerpen. Van zijn grootmoeder, de sterke en godsvruchtige Hortence. En van zijn vader René, gewaardeerd CVP-volksvertegenwoordiger, en zijn moeder Paula.

En het is natuurlijk ook het portret van een streek. De Kempen: stug, blijmoedig, nimmer geruchtmakend ('Hoe vreemd heerste de stilte in het Kempense dorp. Ze nodigde tegelijk uit om er te blijven en om weg te lopen.'). Maar toch ook: van kleur verschietend, tijdens die twintigste eeuw. Want de industrie heeft brokken gemaakt, God weet zijn aandelenportefeuille niet meer in evenwicht, en geen dorpsgemeenschap die niet met de moderniteit heeft moeten kennismaken.

Maar eerder nog dan de verteller zelf, zijn voorouders of de Kempen wordt God tot hoofdpersoon gebombardeerd. Het leven van Peeters' grootouders zit vol roomse piëteit: hun monden zitten nog vol gebed. God herdert over de Kempengrond, zet zijn handtekening onder elke flard schoonheid - al blinkt hij af en toe ook uit door afwezigheid: 'God speelde een beetje vals: hij was er niet voor de zeer gelukkigen, of voor de zeer ongelukkigen, maar voor alle anderen was hij er wel.' Ook de vader - hij is een product van het Pastoorsfabriekske in Hoogstraten - laat zich het geloof nog aanleunen, maar de schrijver zelf behoeft geen Heer meer. Wanneer Peeters zich in de epiloog rechtstreeks tot God richt, valt er zelfs sardonisch te glimlachen: 'Gij riekt een beetje, zoals oude mensen die niet lang meer zullen leven.'

De schrijver vat zijn verhaal zonder één uitschuiver in een mooi-poëtische taal, op en top doorleefd, en dus niet ironisch - een toontje dat deze roman zou mismeesteren. Over elke lettergreep ligt iets van weemoed gedrapeerd, zoals in alle schrijven van Peeters, maar de auteur doet veel meer dan gewoon een nostalgisch verzoeknummertje draaien: hij toont de verwevenheid tussen verleden en heden. Peeters heeft geen angst voor het stof en het bloed waaruit hij is geboren. Want, zo ontleent hij het motto aan Cesare Pavese, 'generaties worden niet ouder. Iedere jongeman uit onverschillig welke tijd en onverschillig welke beschaving heeft altijd dezelfde mogelijkheden'.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven