
Een verteller die ons op nauwelijks anderhalve pagina meezuigt naar het gebied rond de Middellandse Zee, die 'de vriendelijke bries' die over zijn gezicht waait ook langs het onze doet strijken en die het gekwetter van de vogels en zingen van de krekels tot in onze zithoek doet opklinken, die kan bij ons een pot breken.
'Het is tijd voor mijn geest om te ruien,' zo opent de (dan nog) naamloze verteller. Nadat hij jarenlang 'in de wielslag van de dood' heeft gelopen met drank, verdovende middelen en antidepressiva, keert hij op aandringen van zijn moeder terug naar zijn geboortestreek, in het noorden van Marokko. Daar, op de cadans van het mediterrane leven, krijgt zijn ravenzwarte ziel langzaam weer kleur. Zijn geestelijke wederopstanding beleeft hij in de tuin van vrienden die 'm verzorgen, onder het genot van een pijp cannabis en thee met alsem (het opwekkende kruid dat ook in absint te vinden is, de groene fee die Bouazza zelf jarenlang in haar netten verstrikte). Het simpele minnespel van twee vogels wekt herinneringen bij 'm op, en hij besluit de pen weer ter hand te nemen: 'Ik denk woorden te hebben gevonden, waaronder gedachten schuilen en niet enkel de wind die mijn geest zo lang heeft doorblazen.'
Uit de krochten van zijn memorie diept de verteller - we weten intussen dat hij Hafid heet - het verhaal op van ene Noral en zijn geliefde Marfisa. In barokke, soms ietwat geforceerde bewoordingen schetst hij hun tragische levensloop. Aanvankelijk lijkt Bouazza zijn zinnen met bladgoud te beleggen - schitterend aan de oppervlakte, waardeloos eronder - maar hij volgt gewoon de nog trillende schrijvershand van zijn hoofdpersonage: 't is dan ook een langgerekte probatio pennae, een probeersel waarmee de verteller de pols losgooit zodat hij, zoals beloofd in die eerste regels, zijn geest ongehinderd kan laten ruien. En het werkt: in zijn beschrijving van de jonge Marfisa hervindt deze lazarus voorgoed zijn adem, in de bedwelmende liefdestragedie die volgt houdt hij de lezer stevig in de tang. Aan het slot flakkert zijn zwartgalligheid weer even op, maar uiteindelijk wint het besef dat hij wel degelijk herboren is.
Onlangs vertelde Hafid Bouazza in Humo hoe hij zijn jarenlange alcohol- en absintverslaving overwon: die kennis negeren bij het lezen van 'Spotvogel' is onmogelijk. Maar de luie lezer die er een autobiografische sleutelnovelle in ontwaart, zal bedrogen uitkomen, want Bouazza spuit genoeg mist en graaft voldoende valkuilen.
Twee minpunten: zijn stilistische bravoure ten spijt spreekt Bouazza af en toe in tongen ('Hij kon niet weten dat de ene god twee vogels verlangde en de andere een: beide dezelfde vogels: twee verschillende goden. Twee raven voor de eenogige en één raaf voor een lichtgevende' - we hebben 'm tien keer herlezen en begrijpen er nog altijd de ballen van), en hier en daar moesten we een dweil bovenhalen om de stroop, honing en bittere tranen die van de zinnen dropen weg te vegen. Maar 't zijn details: de kracht zit 'm alweer in het schier ouderwetse ritme dat de lezer loom maakt en tegelijk bij de les houdt. Wie zich de komende weken een uur of twee wil laten meezuigen, bedwelmen en in de luren wil laten leggen: lok deze 'Spotvogel' op uw lijmstok.
0 reacties
reageer ookReageer ook