
Zijn vriend Zoltán Hafner sprak vele uren met hem en maakte een manuscript klaar. Kertész bekeek het en schoof het meteen opzij als het soort 'Quatsch' waartoe een interview een mens nu eenmaal verleidt. Hij schreef dan maar zelf zijn autobiografie, nu bij De Bezige Bij vertaald als 'Dossier K.'. De interviewvorm behield hij en dat was verstandig, want het gejongleer met vraag en antwoord kan wat zwaar is licht doen lijken.
'Kunnen we het niet over een vrolijker onderwerp hebben?' vraagt Kertész zichzelf vooraan in zijn autobiografie al af. Waarop zijn imaginaire interviewer: 'Daarvoor is een vrolijker levensverhaal nodig...' Waarom Kertesz' leven zwaar was? Hij is een Jood, of correcter: hij werd 'Jood op bevel' tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen hij samen met zeventien anderen op een dag van de bus werd gehaald en naar Auschwitz gebracht. Van die zeventien was hij bij de bevrijding de enige overlevende - 'een bedrijfsongelukje in de machinerie van de dood' noemt hij het zelf. Daarna is hij nog eens door het stalinisme van de bus gehaald: de decennia onder Kádár bracht hij in Hongarije door 'in een nachtmerrieachtige slaaptoestand'.
Kertész heeft al uitvoerig over zijn kampervaringen geschreven (men leze 'Onbepaald door het lot'), hij doet het niet allemaal nog eens over: zijn milieu, zijn familie, zijn intellectuele vuurtorens zorgen dit keer voor meer verhaalstof. Namen als Franz Kafka, Thomas Bernhard vallen, maar twee - merkwaardig verschillende - schrijvers plaatst hij hors catégorie: Thomas Mann en Albert Camus. 'Beide auteurs zijn als een catastrofe mijn leven binnengedrongen en ik gebruik het woord catastrofe in de betekenis van alles totaal ondersteboven keren. Ik had die auteurs weliswaar zelf gekozen, maar ik had niet de mogelijkheid ze niet te kiezen.'
Dat doet Kertész dikwijls: onverwachte woorden inzetten waar hij goed over heeft nagedacht. Zijn proza heeft een zeldzame scherpte en aforistische kracht. Ook als het gaat over de kernervaring Auschwitz keert hij zich tegen de clichés. Adorno's uitspraak bijvoorbeeld dat een gedicht schrijven na Auschwitz barbaars zou zijn. 'Een morele stinkbom,' noemt Kertész die uitspraak, 'die de toch al slechte lucht onnodig verder bederft. (...) Hoe langer je naar die ongelukkige zin kijkt, des te manifester wordt de onzinnigheid ervan.'
Schrijvers die in de vernietigingskampen iets wezenlijk nieuws over het menselijk bestaan hebben ontdekt en dat ook konden verwoorden kan je op de vingers van twee handen tellen, zegt hij ook. Hij noemt Tadeusz Borowski en Jean Améry. Zelf behoort hij er ongetwijfeld ook toe. Wat zijn waarheid over Auschwitz ('het grootste trauma van de mensheid sinds de kruisiging') is, valt niet eenvoudig samen te vatten, ze is versplinterd aanwezig in zijn boeken. En van al die boeken is zijn met triest hart en vrolijk verstand geschreven autobiografie het meest speelse. Je kan, naar de zegswijze van Laurence Stern, je leed goed benutten; Kertész heeft dat gedaan.





















![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)



0 reacties
reageer ookReageer ook