
The New York Times noemde het één van de beste tien boeken van 2011, en waar de meeste jonge Amerikaanse schrijvers het op de achterflap van hun boek moeten stellen met een anonieme vergelijking met de sterschrijver Jonathan Franzen, mocht Harbach een citaat van de man afdrukken – debuutromans die zo sterk en meeslepend zijn, komt Franzen blijkbaar maar zelden tegen.
Als de eerste literaire sensatie van het nieuwe jaar oogt ‘De kunst van het veldspel’ bijzonder vervelend. Een verhaal over honkbal dat zich afspeelt op de campus van een bescheiden universiteit: dat klinkt vooral alsof we het eerder hebben gelezen.
Henry Skrimshander – wie van autobiografische elementen houdt, kan in hem nu en dan de auteur herkennen — heeft alles in zich om een modaal en weinig betekenisvol leven te leiden, tot zijn talent als honkballer wordt ontdekt.
Hij mag aan het Westish College studeren om daar het sportteam een nieuw elan te bezorgen, waar hij moeiteloos in slaagt. Omdat Harbach ook de lezer die niets van de honkbalverslagen begrijpt bij de les wil houden, strooit hij met indrukwekkende bedragen die Henry worden aangeboden om bij andere teams te spelen.
Maar wanneer hij op een dag per ongeluk een honkbal in het gezicht van een medespeler mikt, komt er plots een einde aan zijn zegetocht. Het ziet er een hele tijd niet goed uit voor Henry en zijn honkbalcarrière, maar op het eind komt alles goed. Het team wordt dankzij een meevaller van Henry zelfs nationaal kampioen.
Als u dat verhaal niet zelf had kunnen verzinnen, hadden wij het wel voor u gedaan. Het is bovendien oerconservatief opgeschreven, rechtlijnig, en veel diepgang hoeft u er ook al niet achter te zoeken (wij deden een poging om er een parallel met de economische crisis in te zien, maar we waren er snel aan voor de moeite).
Toch is het boek de afgelopen weken de hemel in geprezen, en terecht. ‘De kunst van het veldspel’ is even verslavend als een Deense tv-krimi.
Dat is vooral te danken aan de vier nevenpersonages die het boek bevolken. ‘De kunst’ werd in de markt gezet als een verhaal over Henry’s honkbal – hoewel zo’n bal de Amerikaanse cover niet haalde om het overwegend vrouwelijke lezerspubliek niet af te schrikken – maar die Henry is eigenlijk maar een raar mannetje waar geen staat op valt te maken.
Zijn mentor Mike Schwartz, kamergenoot Owen, rector Guert Affenlight en diens dochter Pella zijn daarentegen personages waartussen iedereen makkelijk een favoriet kan vinden om zich mee te identificeren. Eigenlijk zijn ze allemaal best aardig, en ze vormen twee stelletjes – Mike met Pella, Owen met Guert – wat het boek toch spannender maakt dan een gemiddelde honkbalwedstrijd.
Zo wordt die oerconservatieve schrijverij een superieure vertelkunst, en is ‘De kunst van het veldspel’ een zeldzaam droomdebuut. Grote thema’s als Ambitie, Familie, Vriendschap en Liefde komen aan bod, net als verwijzingen naar Melvilles Moby Dick, waarover de auteur een lessenreeks volgde aan Harvard, maar de eerste van Harbach is vooral een lekker, zij het niet pretentieloos leesboek.

























0 reacties
reageer ookReageer ook