
De Brusselaars tappen uit hetzelfde vaatje: Brel en tango, aangelengd met Europese volkswijsjes, stotterende grooves en een milde vorm van krankzinnigheid. Bovendien is zanger Peter Bultijnck een uitgeweken Oostendenaar die graag wat Engels tussen zijn Frans smokkelt. En alsof dat nog niet genoeg is, beroert Arno's eigen Mirko Banovic hier de bas en leidde Serge Feys de opnames in goede banen.
Er zijn ook verschillen. Arno plukt zijn songs uit de kroeg en koppelt herkenbare tristesse aan een onbedaarlijke joie de vivre, 'The All & Nothing Show' daarentegen klinkt duister en bestudeerd, met soms nogal gekunstelde breaks en gewichtige teksten. Arno zingt als een kraai die in een draaiende vliegtuigmotor is beland; Peter Bultijnck heeft een minder opvallende, zelfs wat saaie stem. Van meefluitbare refreinen is ook geen sprake: de meest traditionele compositie is 'L'hôtel Bruxellois' en dat is een naar Brussel verkaste versie van Leonard Cohens 'Chelsea Hotel #2'.
'The All & Nothing Show' is dus zeker niet de plaat van het jaar, maar toch weet het orkest in 'Poême Invalide', 'Homme Femme', 'Le Mouvement Perpetuel II', 'Little Birds' en 'Petit Con' een akelig spannend sfeertje op te roepen. We hebben ook volop genoten van de schaduwgevechten tussen de klassiek geschoolde pianist Alejandro Petrasso en de stevig gebetonneerde ritmesectie. Meer van dat, en we laten in een volgende recensie de naam Arno niet meer vallen.

























0 reacties
reageer ookReageer ook