Nick Cave & The Bad Seeds - Kicking Against The Pricks

cd-reviews Donderdag 21 augustus 1986, door (mm)

Nick Cave, zwerver en vagebond, heeft stof doen opwaaien. Eerst met The Birthday Party, de eerste Australische groep die door alle barricades heen stormde; het orkest verbaasde en verbijsterde met psychopatische muziek en onaangepast gedrag. The Birt...

922_catalogue_2094_detail.jpg

Nick Cave, zwerver en vagebond, heeft stof doen opwaaien. Eerst met The Birthday Party, de eerste Australische groep die door alle barricades heen stormde; het orkest verbaasde en verbijsterde met psychopatische muziek en onaangepast gedrag. The Birthday Party was een tijdbom. Tijdbommen ontploffen. Nick Cave bleef ongedeerd, verzamelde rond zich The Bad Seeds (gelóóf het) en ging in Berlijn, stad van verval, rondhangen. Hij maakte platen. Men vreesde voor zijn leven. Maar Nick Cave stelt het wel en woont, pendelend naar Melbourne en Berlijn, in Londen. En hij heeft gedaan wat David Bowie en Bryan Ferry hem hebben voorgedaan en waar Elvis Costello al jaren over praat: hij heeft de songs van anderen die hem dierbaar zijn, nauw aan het hart liggen, op plaat gezet. "Kicking against the pricks" is een coverplaat, onbevlekt door eigen werk. Cave heeft wel meer werk van anderen vertolkt: "Tupelo" van John Lee Hooker, "Avalanche" van Leonard Cohen, "Wanted man" van Bob Dylan. Zijn bewerkingen zijn meestal guerrilla-aanvallen op het origineel, hij bromt en schreeuwt en slaat tot ze eigenlijk van hem zijn en van niemand anders. "Kicking against the pricks" (de titel is, uiteraard, een citaat uit de Bijbel) is een privé-oorlog, een afrekening met het verleden, een onmogelijk intense plaat. The Bad Seeds houden zich op de achtergrond, volgen hun Baas, de enige mogelijke opvolger van John Cale.

Cave start met "Muddy water": unheimliche viool, luguber orgel, een slepende ziekte van een song over hoe een man de strijd opgeeft om een stukje land te vrijwaren van de Rivier, over de pletwals van het lot. Het is briljant en het zet de toon: modderig water vult de aderen van Nick Cave. Haat en wraakzucht en tomeloze woede en kwaaie gitaren wellen dan op in "I'm gonna kill that woman" van John Lee Hooker en uit Caves grommende stem blijkt dat hij elk woord méént: een eigenzinnige en onvergetelijke bewerking. Dan volgt "Sleeping Anleah", een hallucinant walsje dat Cave echt probeert te zingen zoals zangers dat zouden doen: niet onaardig maar in dit hoge gezelschap ook niet echt opmerkelijk. "Long black veil", een "Tom Dooley"-achtige klaagzang, is dat wél: het gaat over een onschuldige die, om de eer van zijn vrouw, blijft zwijgen en gehangen wordt wegens moord, een van die dingen die ons allemaal wel 's overkomen. Van hoogtepunt naar hoogtepunt: van het wonderlijke 'Long black veil" naar een rottende versie van Jimi Hendrix' "Hey Joe", het vervolg op "I'm gonna kill that woman". Krakende gitaren, spuwende Cave, zwart als de nacht. Zeker niet minder qua betrokkenheid en pijn is "The singer", de single en een Johnny Cash-song, waarin Cave mompelt en gromt als een geslagen hond en de Seeds immer weer hetzelfde spelen.

De andere kant van de medaille: kant twee. Het begint met een rituele, kung fu-versie van Lou Reeds "All tomorrow's parties" en dan, plots, gaat de storm liggen voor de stilte van het absolute juweel op "Kicking against the pricks"; het heet "By the time I get to Phoenix", werd geschreven door de nu geheel vergeten Jimmy Webb, en was, geloof ik, ondermeer een hit voor Glenn Campbell. "By the time…" is op zich al een prachtige song maar Cave haalt er nog meer uit dan erin zat: de Seeds bootsen een klok na, en Cave zingt, sigaret in de mondhoek, zoals hij nog nooit gezongen heeft. Wie deze klassieke ballade van het afscheid aanhoort, zal 'm nooit, zelfs niet in een dronken bui, vergeten.

Aan de drugs en als Jim Morrison klinkt Cave vervolgens in Alex Harveys "The hammer song"; "Something's gotten hold of my heart", ooit een hit voor de grote Gene Pitney, klinkt soms als een grap en soms als een ode aan The Walker Brothers; "Jesus met the woman at the well" is een verrassend zuiver en meerstemmig gezongen gospel; "The carnival is over", eigenlijk het bekende studentenlied over de kikker en de ooievaar, sluit ironisch af. Want je weet natuurlijk nooit wat je aan Nick Cave hebt. Stortte hij na elke take in elkaar van de emotie of van het lachen? Mij kan het niet schelen. Het gaat erom dat "Kicking against the pricks" van Nick and The Bad Seeds snijdt en naar de keel klauwt en bijblijft. Het is geen aangename plaat, geen achtergrondmuziek; men zal "Kicking against the pricks", de meest toegankelijke plaat van Nick Cave, nooit in warenhuizen horen. Mij

0 reacties

reageer ook 

Reageer ook

Humo login:

(wordt nooit getoond)

Of login met facebook:

Deze week in Humo

Reacties en commentaren

Jouw aanraders

cd-reviews