
Geef me de slonzige slide van "Twice as hard", laat mij de pierewaaiende, op volle cafés afgestemde rocker "Jealous again" ondergaan, verbaas mij voor de duizendste keer met een riff van Keef en een riff van Chuck Berry in "Could I've been so blind" en ik vergeet dat ik au fond een kantoorbenodigdheid ben. En om zulke dingen te kunnen vergeten, hebben enkele volksgenieën destijds de rock 'n' roll in de handel gebracht.
Zanger Chris Robinson heeft heel af en toe de neiging om een keel in de trant der metalmongolen op te zetten: een zangstijl die onvrijwillig door Gary Gilmore werd bedacht toen de stroom tot hem doordrong. Gelukkig is het maar een neiging, want in de ballad "Seeing things" klimt hij naar het niveau van Otis Redding op; deze song zet in als een spiegeling van "Love in vain" en mondt uit in bloeddoorlopen soul. "Sister Luck", "Stare it cold" en de diepe ballad "She talks to angels" (een portret van een junkie-meisje) zijn jaren te laat voor "Exile on Mainstreet" of "Sticky Fingers", maar ze komen net op tijd voor mij.
Een opmerkelijke gast op deze elpee is Chuck Leavell, ooit een échte Allman Brother en sinds lang een echte vriend van The Stones; Leavell is op de hele plaat perfect aanwezig: zowel in de sluimerende orgelpartijen, als gedisciplineerd rommelend aan de piano; hij gooit handvollen vingers naar het klavier en ze komen altijd goed terecht. In de zompige southern rockers "Hard to handle" en "Struttin' blues" doet hij gewoon alsof hij thuis is, en hij doet het voortreffelijk.
The Black Crowes zijn beloftevoller dan hun Londense soortgenoten The Quireboys, die iets te beaat hun goden vereren en daarbij te veel zichzelf vergeten. Sloeregoed met klasse, deze The Black Crowes. Dit is nog maar een debuut.




















![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)



0 reacties
reageer ookReageer ook