
We horen ze graag bezig, de groepen die in interviews lopen te toeteren dat ze graag 'artistieke risico's nemen' en 'nieuwe muzikale wegen verkennen'. Meestal is dat niet meer dan newspeak voor 'we hebben geen deftige song op papier gekregen, en nu willen we eens zien of vormloos lawaai ook verkoopt', of voor 'we hebben acht maand lang in een studio uitgeprobeerd hoe onze muziek zou klinken als we ze knetterstoned spelen, en toen was het budget helaas op' (of: 'Om ruzie in de groep te vermijden hebben we na lang aandringen dan toch maar drie van die kutsongs van onze bassist op de nieuwe cd gezet, én twee van de drummer.')
Als ze dan toch een artistiek risico willen nemen, zouden we dat soort blaaskaken eens graag zien doen wat The White Stripes voor 'Get behind Me Satan' gedaan hebben: alleen gewapend met een gitaar, een piano, een marimba en een drumstel een studio intrekken, en twee weken later met een afgewerkte plaat buitenkomen. De White Stripes kunnen dat, en wel omdat Jack White een vakman is: iemand die weet hoe je een goede song schrijft, en hoe hij moet klinken.
Het uitstekende nieuws is bovendien dat The White Stripes steeds beter worden in hun vak, want 'Get behind Me Satan' bevat niet alleen dertien sterke tot geweldige songs, het is ook een bijzonder gevarieerde plaat, waarmee ze bewijzen veel méér te kunnen dan sommigen van hen denken.
'Blue Orchid' is het meest hardrockerige nummer dat ze ooit opgenomen hebben, maar in het behoorlijk onweerstaanbare 'My Doorbell' klinkt het duo Jack & Meg zowaar funky (White Stripes-funky, weliswaar, maar toch), en op 'The Denial Twist' staan zelfs houterige harken als wij met werkelijk ál onze nog niet door reuma aangetaste lichaamsdelen te shaken.
'Forever for Her (Is over for Me)' en 'As Ugly as I Seem' hadden dan weer op een ouwe Stones-plaat (periode 'Exile On Main Street') kunnen staan, en in het ronduit machtige 'Instinct Blues' kunt ú misschien Led Zeppelin-zonder-de-machoposes horen, maar wíj horen vooral twee muzikanten die heel goed (en vooral heel juist) naar Fat Possum-bluesmen genre T-Model Ford hebben geluisterd, en daar nu hun eigen, fantastische ding mee doen.
In 'Passive Manipulation' geeft Meg zevenendertig seconden goede raad aan haar zusters ('Women, listen to your mothers / you need to know the difference between a father and a lover!'), terwijl Jack in 'Take, Take, Take' vertelt over de ontgoochelende ontmoeting tussen een hebberige fan en Rita Hayworth (voor onze jonge lezertjes: Rita Hayworth was de Penelope Cruz uit de tijd van uw bompa): 'A kiss on the cheeck - I wouldn't wash it for a week - that would be all that I needed / But she didn't even care, what a horrible feeling'.
Weer helemaal anders is 'Little Ghost', dat recht uit de Appalachen lijkt te komen, en de prachtige afsluiter 'I'm Lonely (But I Ain't That Lonely Yet)' klinkt helemaal zoals u zich dat bij die titel droomt: Jack eenzaam aan een piano, ergens in een bar, ver na sluitingsuur.
'Get behind Me Satan' van The White Stripes telt twaalf stijlen, dertien songs en geen enkel ongeluk: een grote plaat van een grote groep.




















![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)



2 reacties
reageer ookvlotjes
Dinsdag 21 augustus 2007 - 10u31
"Get behind me Satan" is een avontuurlijke plaat geworden ook al is de stempel van Jack en Meg overduidelijk aanwezig. Hoewel ik hem de moeilijkste plaat vind (in vergelijking met de recht toe rechtaan aanpak van het verleden)is het vooral een plaat die moet rijpen. Tot nu toe is hij nog altijd aan het rijpen. De toekomst zal uitwijzen als hij trots naast "Elephant" en "White blood cells" mag staan.
hjiet droafke
Donderdag 31 mei 2007 - 13u27
In een woord: briljant.
Reageer ook