Bob Dylan in de Lotto Arena

, door ()

bob dylan 1200

Dylan heeft net zijn derde coverplaat op rij uit: ‘Triplicate’ is een driedubbelaar, alweer vol materiaal uit de rayon Frank Sinatra & co. Je kunt je afvragen: wat zou de Dylan uit de sixties – de rebel, de beeldenstormer – daarover zeggen? Zou-ie briesen omdat hij heden braafjes de favoriete muziekjes van zijn pa en ma zit te spelen? Of zou-ie, bij het idee dat we verwáchten dat-ie zou briesen, gewoon zijn schouders ophalen en een stickie opsteken? Iedereen probeert Dylan almaar in vakjes te proppen, maar zelf ziet hij alleen het grote plaatje: folk en blues en country en rock maken gewoon allemaal deel uit van één lange, kronkelende lijn. De zachte, nette liedjes van Irving Berlin en Johnny Mercer maken, net als die van Woody GuthrieLead Belly en Little Richard,deel uit van zijn DNA. En hij zingt ze uit liefde.

Die liefde was vanavond te voelen in elke zachtjes aangeslagen pianotoets en in elk stofdeeltje dat over de netjes ingerichte Lotto Arena heen dwarrelde. Van zodra Dylans band de planken besteeg en ‘Things Have Changed’inzette, daalde er een trance over de zaal neer. Bob Dylan and His Band verkeerden in een hartslagversnellende bloedvorm: Donnie Herron, Tony Garnier,Stu Kimball, George Receli en Charlie Sexton waren véél te goed om niet te vermelden. De band was zelfs de motor van de hele avond; de spieren en de botten van het lijf waarvan Bob zelve het hart opereerde.

Twee jaar geleden, in Vorst, speelde Dylan amper eigen werk van vóór de eeuwwisseling, maar ’t blijft een onvoorspelbare aap, en dus zette hij nu meteen de double whammy van ‘Don’t Think Twice, It’s Alright’ en ‘Highway 61 Revisited’in: helemaal opnieuw gearrangeerd en lichtjaren verwijderd van hun originele incarnaties, maar nog altijd even straf. De jeugdige urgentie is er wat vanaf, maar de doorleefde, pakkende grandeur die ervoor in de plaats is gekomen, is ook niet mis. Dylan zat ondertussen, zoals bijna altijd tegenwoordig, achter zijn piano, maar hij kon het wel niet laten om zich af te duwen en met gebogen knieën zo’n beetje mee te wiegen op de cadans van de muziek; ’t zijn van die gebaartjes waaraan je merkt dat hij in the zone zit.

‘Why Try to Change Me Now’ is een nummer dat Cy Coleman ooit schreef voor Sinatra, maar het zegt meer over Dylan dan eender welk nummer dat hij zélf bedacht. Het heeft live ook een onwaarschijnlijk mooie romantische gloed; alsof de geluidstechnicus even de functie ‘nostalgische echo’ had aangezet. ‘Pay in Blood’ en ‘Melancholy Mood’ klonken piekfijn, het erg catchy ‘Duquesne Whistle’zelfs fenomenaal – je zou denken dat ‘t alweer dóór Irving Berlin of Cole Porter is geschreven, maar ’t is wel degelijk een Dylan original.

Af en toe, bij ‘Highway 61 Revisited’ bijvoorbeeld, of bij vaste livewaarde ‘Love Sick’, mocht de band eens lekker loos gaan, maar het optreden was op zijn sterkst bij de gevoelige, ingehouden, tedere momenten. ‘Why Try to Change Me Now’ was er zo eentje, maar dat was nog niks in vergelijking met het altijd tot snotteren aanzettende ‘Tangled Up in Blue’, hier in een grillige, van alle franjes en romantiek ontdane versie. ‘Blowin’ in the Wind’ werd met een goeie vioolintro én een instrumentale coda dan weer net van de nodige toeters en bellen werd voorzien. Alle twee schitterend.

Dylan is duidelijk gegroeid in zijn rol als deftige chansonnier, van ouder wordende concertmeester, en hij liet vanavond meer facetten zien van zichzelf dan in zijn vorige optredens in het land. Hij ging van hard naar zacht, van mompelen naar uithalen, van rocken naar croonen en van uitstekend naar perfect. ‘Spirit on the Water’ en ‘Soon After Midnight’ waren pure melancholie; ‘That Old Black Magic’ was even bezwerend als een donker voodooritueel; en een kort, maar ongemeen sierlijk ‘Autumn Leaves’ sloot wondermooi aan bij ‘Long and Wasted Years’. Héérlijk om zien: de manier waarop Dylan zich over het podium bewoog op het moment dat de band aan het jammen ging. Handje op de heup, kleine schuifelbeweging, een wandelinkje rond de piano… Zelden iemand zich op zo’n waardige manier totaal verward over het podium zien bewegen.

De hoogtepunten dan maar? ‘Ballad of a Thin Man’ was een grootse afsluiter waarvoor een deel van het publiek de gangpaden blokkeerde, om toch maar zo dicht mogelijk bij Hem te kunnen staan. Het openingssalvo van de song, waarin de piano met ‘Phantom of the Opera’-achtige intensiteit wordt aangeslagen, klonk zelden luider, juister en pákkender dan hier. Maar hét moment was toch – en dit kan een tikje persoonlijk zijn – ‘Desolation Row’, wegens het beste nummer aller tijden, met de mooiste tekst ter wereld. ‘They're selling postcards of the hanging, they're painting the passports brown / The beauty parlor is filled with sailors, the circus is in town’: geef die mens een Nobelprijs. Terwijl hij zich door de elvendertig strofen van die monumentale song sloeg, en de band alles kapotmaakte, was Bob weer helemaal the freewheelin’ Bob Dylan van weleereen symbool van vrijheid en excentriciteit, een wilde jongen met nog wilder haar die maar niet te doorgronden valt.

Misschien is het omdat we zo recent David Bowie en Leonard Cohen en al de rest verloren hebben, maar Dylans set had iets bitterzoets. Hij klinkt vandaag als een oude man die niks meer te bewijzen heeft, en die vanuit zijn lederen loungestoel het hele muzikale pantheon overschouwt terwijl hij wacht op Pietje de Dood. Nu, voor hetzelfde geld blijft hij nog twintig jaar leven en brengt hij volgend jaar een hardstyle-plaat uit; het is Bob Dylan, dus het kan. Maar áls dit nu de laatste keer was, áls hij morgen neervalt en we ‘m nooit meer terugzien, dan hadden we ons geen waardiger afscheid kunnen wensen. 

Het publiek

Werd door Dylan, naar goede gewoonte, met ongeveer evenveel egards behandeld als de Zweedse Academie.

De quote

Zie hierboven: geen woord gezegd.

De tweet

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven