Concertreview: Sigur Rós in Vorst Nationaal

, door ()

1200

‘An Evening with Sigur Rós’, zo stond er op de affiche. Mooi, denk je dan, een theekransje: daar leent Sigur Rós zich wel toe, zeker omdat in 2013 stichtend lid Kjartan Sveinsson de groep verliet, waardoor de IJslanders heden een trio zijn dat rondreist zonder begeleidend orkest. Intimiteit! Warmte! Een kampvuur! Maar ik zou dat hier zo niet opschrijven als het ook echt zo was gegaan. Nee, drie man klinkt bij Sigur Rós nog altijd als driehónderd man. Ze kwamen ten tonele met een lichtshow waar ze in het ISS van hebben kunnen meegenieten én ze lapten de 100 decibel-regel uitgebreid aan hun laars. Sigur Rós: kleiner, maar nog altijd groots.

De Evening viel uiteen in twee lappen die elk afzonderlijk ook al een concertje waard waren. De eerste was de nukkigste, de koelste, de grilligste en wat mij betreft ook de interessantste. Het begon ingetogen met een nieuw nummer (‘Á’) en met ‘Ekki múkk’ (van ‘Valtari’), maar in ‘E-Bow’ (nummer 6 van de Haakjes) en ‘Glósóli’ (van ‘Takk…’) stond Jónsi alweer zijn gitaarsnaren te mismeesteren met een strijkstok, alsof hij met een bebloed mes iemand de keel oversneed. Rond hem tolden de visuals – machtige constructies die mee flitsten op de intensiteit van de muziek – rond iets dat de big bang kon zijn geweest, of anders wel de aurora borealis.

In het luchtledige: daar bleven de Rossen nog een tijdje hangen. Er zijn weinig groepen die weten hoe ze lawaaistormen kunnen doen klinken als iets transcendentaals, maar dit is er zo eentje. Hoe verder deel één vorderde, hoe rauwer en nukkiger het werd. Waardoor de momenten van pure schoonheid des te feller afstaken tegen het donkere kleurenpalet: die ene keer dat Jónsi minutenland als een koorddanser op één noot bleef balanceren – kippenvel! Drummer Orri Páll Dýrason drumde ondertussen alsof hij de drummer van Neurosis was, en niet die van Sigur Rós. Ook al geen klacht.

Paragraaf vier en nog met geen woord over gletsjers gerept. Welnu, het eerste uur van Sigur Rós’ concert was als een traag voortglijdende ijslawine die alles op zijn pad meesleurde en even verderop helemaal gedesoriënteerd weer uitkotste.

Deel twee was merkelijk korter en had een nog indrukwekkender lichtshow (de panelen op podium leken opeens wel dubbel zo groot), en ook een iets crowdpleasender inslag. ‘Sæglópur’ was de meezinger van de avond, ‘Festival’ zwol aan als een ballon zonder één keer te barsten en ‘Vaka’ (nummer 1 van de Haakjes) was ontroering in een warm donzen dekentje. De climax van ‘Popplagið’ (nummer 8, met een naam die – tussen haakjes – zoveel betekent als ‘de popsong’) was geen climax, maar een catharsis. Sigur Rós schuurt als trio langs alle kanten, schopt rond en doet píjn, maar blijft ook één van de betrouwbaarste leveranciers van onversneden emotie in het hele popkoninkrijk.

Nog het strafst van al: Sigur Rós slaagde erin om in de betonnen bunker Vorst een mooi, vol geluid te laten horen. Als een bloem die bloeit op het rotslandschap van de maan. Want zo klinkt Sigur Rós eigenlijk altijd: als hoop tussen barre ellende. En zo werd het toch nog een fijne dag!

Het moment

Tijdens één momentje in ‘Saeglopúr’ ging de muziek opeens – knál – in overdrive. Die knal, dat was het geluid van honderden kroppen die tegelijkertijd in kelen schoten.

Het publiek

Wie geen oordoppen bijhad, is nu een paar frequenties armer, maar ook een ervaring rijker.

Quote

‘Brussel?’ Jònsi brabbelde nog een paar woordjes, maar alleen de IJslandse dame op rij één die er wat van kon maken.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven