Concertreview: The Rolling Stones in de U Arena (Parijs)

, door ()

stones 1200

Dat de Stones nu, als zeventigers (‘Hope I die before I get old’, die one-liner van The Who, is iets dat Jagger nooit gezegd zou hebben), aan hun eigen neverending tour bezig zijn, heeft verscheidene oorzaken. Ze hebben niet enkele maar een vracht potente klassiekers én populistische refreinen die meezingers zijn zonder dat het ooit klef wordt. Ze hebben tonnen charisma. Ze hebben als eersten, eerder én langer dan de Beatles, beseft dat ze een merk zijn (mét een logo, die iconische uitgestoken tong ontworpen door John Pasche, even sexy als rebels). Ze willen ook absoluut legendes zijn (‘I love the lifestyle,’ liet Ron zich ontvallen) en blijven daar moeite voor doen. En het zijn survivers – in het geval van Keith Richards is dat woord het understatement van de eeuw.

Het voorprogramma Cage the Elephant illustreerde duidelijk het verschil tussen een tamelijk goeie rockgroep en een legendarische rockgroep. Cage the Elephant zijn ruig en rauw (goed geluisterd én gekeken naar The Stooges, The Doors én de Stones), en hun zanger is absoluut een podiumbeest, maar songs, charisma en impact kunnen niet tippen aan dat van Jagger & Co. En of Cage the Elephant als zeventigers in pakweg 2048 drie U Arena’s in Parijs kunnen vullen, is nog de vraag. Een schitterende zaal trouwens, die fonkelnieuwe U Arena net buiten Parijs, ingewijd door de Stones: bijna drie keer zo groot als het Antwerpse Sportpaleis, maar beter qua bijna alles, en toch relatief intiem.

Laat ons met Keef beginnen. In Parijs, en ook eerder al op deze Europese tournee, liet hij vaak steken vallen: een te loeihard akkoord hier (knopje slordig op elf gedraaid tijdens opener ‘Sympathy for the devil’), een gemist akkoord daar, hele lappen tekst overslaan tijdens ‘Happy’, wat verdwaasd grijnzend rondstrompelen op het podium terwijl Ronnie Wood de gaten vult…

Maar de Keith die ik in Parijs zag was niet die van concert reviews in Nederland en Duitsland, waar muggenziftende journalisten beweerden dat het concert een zooitje was. Keith was niet perfect maar dat is hij nooit geweest, en het is net dat net-niet-rommelige dat toch telkens weer nipt in de plooi valt dat de Stones zo uniek maakt. Paul McCartney bracht altijd een technisch perfecte show. Bij de Stones was het meer een brew, een hutsenpot van schijnbaar lukraak aangeslagen akkoorden die het geheel rauw, funky en spannend houdt. En Keith liet zich tegen Ronnie op recente repetities ontvallen ‘Ik geloof niet dat ik een gitaar heb aangeraakt sinds de laatste keer dat ik je zag’. Als je al zestig jaar speelt, kan je je dat permitteren.

En ook al is het gelaat van Keith net een schaalmodel van de Grand Canyon na lange droogte en lijken zijn flaporen elk volgens jaar meer op die van een olifant, zijn valse tanden zijn z’n enige zichtbare toegeving aan het verval. Al blijft hij natuurlijk een koppige, provocerende dwarsligger die, bijvoorbeeld blijft volhouden dat zowel ‘Sgt Pepper’s’ als Prince rommel waren. Tijdens het tweede concert in Parijs droeg hij een T-shirt met opschrift ‘Do not X ray’ – zelfspot van iemand die al decennia lang de dood voor schut zet.

Het mirakel van deze laatste toernee heet Mick Jagger. Hij is nu 74. Hij beweegt en zingt als iemand van, pakweg, 39. In Micks lijf woedt een strijd tussen pezen en spieren, rimpels, knoken en de zwaartekracht. Voorlopig zijn de spieren en pezen aan de winnende hand. (In Keiths lijf daarentegen woedt een imploderende guerrillaoorlog). Mick zong werkelijk schitterend in Parijs, hij rende een honderdtal sprintjes op een podium van 60 meter, hij danste als een bronstig veulen, hij maakte grapjes en sloofde zich op alle vlakken veel meer uit dan strikt gezien nodig was. Ik heb veel jongere rocksterren veel vadsigere, luiere, meer gemakzuchtige en slechter gezongen concerten weten geven. En ik zag een paar jaar geleden de sympathieke peer Bill Wyman nog ‘ns, die leek toen al 106.

Mick was ook zo gracieus om de Franse lokale supersterren te bedanken, maar toen hij Patrick Bruel en Sylvie Vartan bij naam vermeldde, weerklonk er boegeroep. Mick begroette ook mevrouw Macron, de echtgenote van de Franse president, en hij zei monkelend ‘Hopelijk kan zij goed overweg met Theresa May, want anders krijgen we voor ons volgende verblijf in Frankrijk geen visum meer’.

De set was lang en gul en bevredigend, een marathon door uitslovers, van het onverwachte (door fans in de setlist gestemd) ‘She’s a rainbow’, een sfeervol en door iedereen meegebruld ‘You can’t always get what you want’, ‘Brown Sugar’, ‘Street Fighting Man’, ‘Tumblin’ Dice’ (Mick briljant op de mondharmonica die hij ongeveer duizend keer beter bespeelt dan Bob Dylan dat doet), ‘Just your fool’, Ride ‘em on down’, ‘Paint it Black’, ‘She’s so cold’, ‘Start me up’, ‘Jumpin’ Jack Flash’, ‘Slippin’ away’, ‘It’s only rock ’n roll’, ‘Honky Tonk Women’, ‘Gimme Shelter’, een imposant en eindelijk nog ‘ns dreigend ‘Midnight Rambler’ (die song gaat tenslotte over een seriemoordenaar) en het werkelijk onverwoestbare ‘Satisfaction’, misschien wel de ultieme rocksong (Keith dacht indertijd dat die riff ‘net goed genoeg voor een B-kantje’ was). Mijn favoriet vanavond was ‘Miss you’ – frappant en faut le faire: een muziektrend (disco, in dit geval) kapen en ‘m naar je hand zetten.

Omdat ik ook kan muggenziften vermeld ik even dat sommige songs wat te lang werden gerokken (altijd omdat Keith zich niet leek te storen aan signalen van Mick of Charlie). De saxofonist was overbodig en liep de songs soms voor de voeten. En ik betreur dat de heren nooit, maar dan ook nooit, mijn favorieten live spelen, ook al zijn die wellicht minder geschikt voor een arena met stadionallures (capaciteit 40.000). Geen ‘Melody’ dus, en geen ‘Fingerprint File’, geen ‘Hand of Fate’, geen ‘Hey Negrita’, geen ‘Rock & Hard Place’, geen ‘Everything’s turning to gold’

Waarom blijven ze toch toeren, hoorde ik een Fransman vragen. Ze hebben geld genoeg, ja. Maar het ego wil meer, en ze zijn te trots om toe te geven aan iets dat ruikt naar pensioen – zeker Mick zou, ook al is hij de facto opa, de gedachte aan bompagewijs door het huis sloffen en mijmeren over wat was niet kunnen verdragen. Dat is voor Peter Pan ondraaglijk. En, vooral: zij en niemand anders zijn de Rolling Stones, en als zij daarmee stoppen is niemand het meer.

Van het concert dat de Stones in juni 2014 in Werchter gaven schreef ik dat het een waardig afscheid was. Dat waren de concerten van deze ‘No Filter’ toernee grosso modo nog steeds. En zowel Keith (‘This is our last show for a bit…not forever, I’m sure’) als ‘Mick (‘C’est notre dernier concert…pour le moment’) lieten uitschijnen dat ze er nog niet mee stoppen. Maar ik vermoed van wel. Ronnie Wood heeft kanker en is verzwakt (ook al heeft hij op z’n 70ste nog een tweeling verwekt). Charlie watts, verbeten en stoïcijns maar ook moeizaam drummend, had al kanker (‘Le Baudelaire de la batterie’ noemde Mick hem in Parijs). Keith is soms toch wat verward en moe (‘Start me up’ speelde hij zittend), wat een voorbode van Alzheimer zou kunnen zijn. De enige die werkelijk van staal lijkt is Mick, en in de documentaire ‘Being Mick’ zie je een glimp van hoeveel moeite hem dat twaalf jaar geleden al kostte.

Nee, dit was het, vrees ik. Time waits for no one. Al hoop ik dat ze mijn ongelijk bewijzen.

(Tot 31 december loopt in Photo House Brussel, Blaesstraat 96, nog een fototentoonstelling over de Rolling Stones. ‘Sticky Fingers Live’ is nu uit). 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven