Concertreview: Thurston Moore in Les Ateliers Claus

, door ()

thurston moore 1200

‘Can I buy you a drink?’, wilde Moore van de toeschouwers weten. De man mag dan al 59 zijn, hij oogt nog altijd als een charmante kwajongen die ooit in een vat New York Cool is gevallen. Zijn vraag typeerde de informele sfeer in Les Ateliers, een zaaltje dat zo klein en huiselijk uitviel dat zijn band bijna tussen het publiek stond te spelen. Meteen dachten we terug aan de eerste keer dat we Sonic Youth live aan het werk zagen, een eeuwigheid geleden in de al lang verdwenen Schaarbeekse club Etcetera. Back to basics, dus? Yep. Thurston Moore, die afgelopen zomer Rock Werchter aandeed en net nog optrad als burgemeester van Sonic City, gaf in Brussel blijk van zoveel ongebreideld speelplezier dat hij de grote podia niet leek te missen. Er was zelfs ruimte voor scherts en luim: zo noemde hij Steve Shelley, de drummer met wie hij al dertig jaar samenspeelt, ‘de friste bloem uit onze tuin’.

Opvallend: Moore droeg dit keer een zilveren kruis op het podium. ‘Zou hij in de Heer zijn?’, vroeg de fan links van ons zich luidop af. Geen idee. Maar zo te horen beschouwde hij agressieve noise nog altijd als de kortste weg naar de zaligheid. Zoals bekend heeft de man sinds 1981 voor de gitaar een nieuwe vocabulaire én grammatica bedacht, waarin het viscerale van no wave en het energieke van (post)punkgroepen, type The Stooges en Television, werd gekoppeld aan het harmonische gedachtegoed van avantgarde-weirdos als Rhys Chatham en Glenn Branca. De tijd dat hij op tournee dertig verschillend gestemde gitaren achter zich aanzeulde, lijkt echter voorbij. In Sint-Gillis hield Thurston Moore het relatief simpel en wisselde hij slechts twee keer van instrument.

Zijn huidige band, drie jaar geleden geïntroduceerd op 'The Best Day’, is goed op weg om de chemie van Sonic Youth te evenaren. De muzikanten hebben elk een eigen identiteit, maar voelen elkaar perfect aan. Het stuwende basspel van Deb Googe –u kent haar van My Bloody Valentine– werkte, samen met het trefzekere drumwerk van Steve Shelley, als een locomotief, terwijl de snaarverrichtingen van James Sedwards (zie ook Nought) duidelijk aan die van zijn werkgever gewaagd waren. Dat voelde je alras tijdens opener ‘Cease Fire’, waarin de decibels je als kogels om de oren floten, en ‘Speak to the Wild’, een evenwichtsoefening tussen subtiliteit en brutaliteit. Inventieve motiefjes en tegenmotiefjes sprongen dartel met elkaar haasje-over, de song vertraagde en accelereer volgens een eigen logica en blies en passant al het stof uit je eustachiusbuizen.

Alle nummers uit de eerder dit jaar verschenen lp ‘Rock’n’Roll Consciousness’ passeerden de revue en ondergingen daarbij de vreemdste metamorfoses. De songs van Thurston Moore en de zijnen zijn nu eenmaal levende organismen, die zich ook blijven ontwikkelen nadat ze op plastic schijfjes zijn gestanst. ‘Cusp’, door de zanger opgedragen aan de ‘blue wave radicals’ die het machtssysteem van Trump onderuit trachten te halen, bouwde niet naar een crescendo, het begón ermee. Het meditatieve ‘Turn On’ en het al even verrukkelijke ‘Smoke of Dreams’, waarin af en toe een storm opstak, zaten dan weer vol lange instrumentale uitweidingen. Uiteraard was Moore de centrale figuur om wie alles draaide. Toch kreeg de veelzijdige Sedwards ruimte genoeg om de schaduw van de baas te ontglippen. Híj was het die met de spectaculairste solo’s op de proppen kwam en het beste van Neil Young, J. Mascis en John Frusciante in zich verenigde. Al liet hij zijn gitaar ‘Aphrodite’ net zo goed vrijelijk knarsen en stotteren.

Thurston Moore huldigt de overtuiging dat lawaai tot verlichting leidt en dus kregen we ook een ‘Feedback Jam’, geserveerd op een bedje van metal drones en industriële geluiden. Nu eens meende je laag overvliegende straaljagers te horen, dan weer uit de bocht gierende bolides die diepe remsporen door het asfalt trokken. Deb Googe was blijkbaar even de Gamma binnengewipt en bewerkte haar bas met een schroevendraaier, maar het beukwerk van Shelley zorgde er gelukkig voor dat het nooit te navelstaarderig werd.

Als post scriptum bij anderhalf uur superieure leftfield rock, serveerde Moore nog ‘Ono Soul’, uit zijn 22  jaar oude solodebuut ‘Psychic Hearts’. Een vrij conventioneel popnummer, horen wij u denken, maar het werd wél ingeleid en uitgewuifd met abstracte tyfusherrie van het soort waarmee u ongewenst bezoek in een oogwenk de deur uit krijgt. U begrijpt: geen enkele fan had achteraf een excuus om te mopperen. Zeker, Thurston Moore & Co zijn geen jonge blaadjes meer. Maar zelfs in de herfst oogden ze groener dan de meeste twintigers uit onze kennissenkring.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven