Concertreview: Steak Number Eight + Brutus in de Sugarfactory (Amsterdam)

, door ()

steak number eight 1200
© Koen Keppens

Achter het Amsterdamse Leidseplein ligt een passage waar cokedealers met witte envelopjes ongemakkelijk handen schudden met beschonken Engelse toeristen. In een voormalige suikerfabriek, gelegen in die passage, stonden gisternacht een aantal Vlamingen jeugdtrauma’s op te rakelen en te krabben op plekken waar we niet wisten dat het jeukte.

U kunt weken op een plaat zitten te broeden, maar soms valt het kwartje (pas echt) op het moment dat u in de moshpit een puntige elleboog tegen uw slaap krijgt of op het moment dat u gebiologeerd naar een trillende huig in een opengesperde muil staat te gluren. Het gebeurt vrijwel altijd bij acts die u meerdere keren per avond op het podium ziet sterven en vervolgens spartelend uit de baarmoeder ziet worstelen, terwijl ze hun eigen navelstreng doorknippen. In Amsterdam was al dat moois vrijdagavond voor de gemiddelde prijs van een cocktail te aanschouwen.

Het was dus niet toevallig dat we in de rookruimte de meute tegenkwamen, die de nacht daarvoor bij het (geweldige) concert van Ho99o9 - een hardcore act à la Death Grips uit New York - de leadzanger had opgevangen, toen hij besloot vanaf het balkon een foutloze gestrekte flikflak uit te voeren. Soort zoekt soort. En het wordt nu eenmaal pas echt interessant als er iets op het spel staat.

Brutus, het Leuvense trio rond Stefanie Mannaerts, presenteerde tussen 20:40 en 21:40 zijn debuut, ‘Burst’. Dat album is een prachtig prentenboek in verschillende tinten grijs en zal na gisteravond in menig eindejaarslijstje (nog) verder omhoog zijn gekriebeld. Terzake: het kwartje uit de eerste alinea viel al tijdens de ijsbreker, ‘March’. De katalysator was de paardenstaart van Stefanie Mannaerts die ritmisch als een propeller boven haar hoofd cirkelde, terwijl uit haar bescheiden jazz kit een geluid kwam, waar menigeen een John Bonham-drumstel voor aanschaft.

Zingen zoals een Concorde vliegt, het is een gave. Op de één of andere manier deed de stem van Mannaerts ons denken aan het hese getrek van Mudhoney’s Mark Arm, maar dan zo gefocust als een dartpijltje van Michael van Gerwen en zo stabiel als - pak hem beet - de hand van een hartchirurg. Stembanden waar de gure wind doorheen blaast. De boomlange Peter Mulders - de Krist Novoselic van Brutus - stond center stage vuige baslijnen als heipalen de grond in te slaan, terwijl Stijn Vanhoegaerden zijn gitaar in canon liet zingen en zijn shoegaze van onder de zolen van een paar vertrapte Doctor Martens schraapte: post-punk, post-metal, post-vanalles. Dat was tijdens ‘Bird’. Verder genoteerd: ‘Justice De Julia II’ en ‘Drive’, songs waarbij we na afloop een beetje bloed in onze mond proefden. Oeps! Per ongeluk iets te hard op de onderlip gebeten.

Inmiddels stond Brent Vanneste naast het podium al te briesen als een opgefokt renpaard. Hoewel het viertal de plaat ‘Kosmokoma’ al ruim twee jaar meezeult, klonken ze nog altijd als een stel hongerige mijnwerkers. Mijnwerkers die op kerstavond met rouwrandjes onder de nagels naar euphorie graven in een zandbak van miserie. Voor ons wordt het zo langzamerhand routine, maar het zal nóóit routineus aanvoelen. Ook niet voor Brent Vanneste, die zich avond na avond worstelend, persend, proestend, zwetend en schetend en public emotioneel laat afranselen door zijn eigen oeuvre. Keer op keer de ziel exposerend tot er slechts een klein hoopje mens overblijft.

De druilerige instrumentale sludge van ‘Space Punch’ brak het ijs deze keer. Een loodzware donkere bedoening, waarvan het kapsel van bassist Jesse Surmont op precies dezelfde manier deinde als de grijze pluisafro van Buzz Osborne (van The Melvins). ‘Black Eyed’ was live een totaal ander beest dan op de plaat en drummer Joris Cassier was live ook een totaal ander beest. We hebben al langer een oogje op ‘Charades’, maar na gisteravond zijn we hopeloos verliefd op die song en ook een beetje op Cis Deman, die gitaar speelt zoals een violist van het Wiener Philharmoniker orkest viool speelt: ernstig en virtuoos.

In september won Vanneste een Ensor voor zijn muziek in ‘My First Highway’, de film van regisseur Kevin Meul. De afwisseling tussen harde en zachte muziek in het oeuvre van Steak was reden voor Meul om Brent te rekruteren voor zijn film. Vrijdagnacht loodste Brents gave om het ene moment te blaffen als een getraumatiseerde, schuimbekkende pitbull en vervolgens met een warme galmende grom de brokstukken weer bijeen te rapen ons binnen een uur door de vijf fasen van rouw van Elisabeth Kübler-Ross: ‘Your Soul Deserves To Die Twice’ gevolgd door een bescheiden ‘Merci’.

De avond eindigde met een déja vu: de groep die de dag ervoor nog één van de brulboeien van Ho99o9 opving, droeg nu een spartelende Brent Vanneste - zonder shirt, met de micro geklemd tussen de kaken - door de zaal. Daar houden wij van: artiesten die iedere show sterven en weer spartelend uit de baarmoeder worstelen.

Het meest komische contrast van de avond: later zou Boo Williams - een tweede generatie Chicago House DJ - in dezelfde zaal obscure, blije discoliedjes draaien.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven