Concertreview: Jake Bugg in AB

, door ()

jake bugg 1200
© Alex Vanhee

Op zijn debuut uit 2012 beschreef Bugg de grauwe ervaringswereld van een tiener die was opgegroeid in een sociaal woningblok in Nottingham. Zijn liedjes klonken even catchy als spontaan en leverden hem prompt schouderklopjes op van NME en Q-magazine. Zijn idioom leunde nauwer aan bij Donovan dan bij Dylan en had meer gemeen met Oasis dan met The Beatles, maar gezien zijn prille leeftijd was hij sowieso in het verkeerde tijdsgewricht geboren. Kniesooren twijfelden aan zijn authenticiteit, omdat enkele professionals in de songsmederij, zoals Iain Archer en Crispin Hunt, hem hadden geholpen zijn ganzenveer vast te houden. Na het puike, met Rick Rubin ingeblikte ‘Shangri-La’ verstomde de kritiek, al kreeg Jake Bugg alsnog last van het ‘too much too soon’ –syndroom.

Op ‘On My One’ging hij, in een wanhopige poging zijn formule bij te sturen, aan de slag met elektronische beats en hiphopinvloeden en raakte zijn artistieke kompas onklaar. Na een kort verblijf in Floppegem likte hij zijn wonden in Nashville, waar hij een pleistertje kreeg aangereikt van The Memphis Boys, de groep die ooit had meegespeeld op plaatjes van Dusty Springfield en op ‘In the Ghetto’ en ‘Suspicious Minds’ van ene Elvis. Dat leverde een consistente maar afgeborstelde reeks countryballads op. Een onrustwekkende evolutie, vooral omdat de troubadour lite-sound van de plaat bij momenten erg aan James Blunt deed denken.

Het zal u dus niet verbazen dat we met een bang hart naar de AB trokken. Gelukkig hadden we van onze buitenlandse spionnen al vernomen dat er tijdens Jake Buggs huidige solotournee meer oude dan nieuwe nummers op de setlist stonden. Anderhalf uur grasduinde de artiest in zijn repertoire van sobere luisterliedjes, waarbij hij regelmatig een flinke slok nam van een bekertje gin-tonic, ‘to calm the nerves’. Bugg maakte aanvankelijk een verlegen indruk. Toen enkele toeschouwers (m/v) ‘We love you, Jake’  riepen, riposteerde hij nog met een laconiek ‘Cheers, mate’. Maar zodra er om verzoekjes werd geschreeuwd, klonk hij zeer gedecideerd: ‘I’m the one who is picking the songs here’.

Grosso modo had Jake Bugg twee soorten liedjes in de aanbieding: ingetogen folkballads, opgesmukt met soepel fingerpickingwerk, en uptempo nummers met een hang naar rockabilly. Tot de eerste categorie behoorden het obscure ‘Saffron’, geschreven toen de zanger zestien was, het broze ‘Broken’ en het naar countryblues lonkende ‘Strange Creatures’. Tot de tweede: ‘Slumville Sunrise’ en ‘Trouble Town’, verhalen over vervreemding in de grootstad of de uitzichtloze toekomst van een adolescent die toevallig uit een werkmansbroek was geschud. Iets saaier ging het toe tijdens ‘How Soon the Dawn’, zacht voortschuifelende, fluwelen softpop die tijdens de seventies werd verstrekt door James TaylorDon McLean of Seals & Crofts, als probaat middel tegen slapeloosheid. ‘Me and You’ was dan weer een deun op zoek naar een knetterend kampvuur.

Bugg onderhield het publiek voorts over de relatie tussen het weer en zijn gemoedstoestand (‘Southern Rain’), verlatingsangst (‘Bigger Lover’, waarin hij zoveel woorden gebruikte dat hij er haast over struikelde) en de lelijkheid van de wereld (‘There’s A Beast and We All Feed It’). Conclusie: Bob Dylan en Elvis Costello hoeven als tekstschrijvers voorlopig geen concurrentie te vrezen. Verrassende inzichten heeft Bugg niet te bieden: zijn prozaïsche songs getuigen regelmatig van een aandoenlijke naïviteit waar hij zich over, pakweg, een jaar of vijf al behoorlijk voor zal schamen.

Uit het slotgedeelte van zijn set onthielden we het verrassende, bij Danny O’Keefe berokken ‘Good Time Charlie’s Got The Blues’, een country classic uit 1972 waar eerder Elvis Presley, Waylon Jennings, Charlie Rich en Dwight Yoakam al hun voordeel mee deden, en het donkere ‘In the Event of My Demise’, dat Jake Bugg schreef met Dan Auerbach van The Black Keys. Soulballad ‘Waiting’ moest het dit keer zonder de stem van Norah Cyrus stellen en publieksfavorieten ‘Two Fingers’ en ‘Lightning Bolt’ werden strategisch als uitsmijters opgespaard.

Aan voorgeprogrammeerde bissen deed de zanger niet en die nonsense-houding sierde hem. Net zoals bij zijn vorige passages manifesteerde Jake Bugg zich als een prima performer, maar zijn songs zijn voorlopig net iets te wisselvallig van kwaliteit om ons tot een luidkeels ‘Hoera!’ te inspireren. Niet getreurd, echter: hij beschikt over voldoende talent en groeipotentieel om het nog wel even uit te zingen.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De Persgroep Publishing heeft haar Privacy– en cookieverklaring aangepast.
Wij gebruiken jouw persoonsgegevens vanaf nu ook om de Diensten van MEDIALAAN Groep/De Persgroep Publishing te optimaliseren en deze waarvoor jij kiest te personaliseren.
Door op “verdergaan” te klikken of door verder te surfen, erken je deze aangepaste Privacy– en cookieverklaring gelezen te hebben.

Verdergaan