Concertreview: Daniel Norgren, Lucinda Williams en Nive Nielsen op het Deense Tønder festival

, door (ds)

Hoogtepunt van de eerste festivaldag was Daniel Norgren (****), een natuurmens uit de donkerste bossen van Zweden. De man maakt in de luwte al jaren uitstekende muziek, maar dank zij platen als 'Alabursy' en 'The Green Stone' is hij nu eindelijk aan een internationale opmars begonnen. Er mag dan al Scandinavisch bloed door zijn aderen stromen, de mosterd haalt hij aan de overkant van de Atlantische oceaan, waar de ingrediënten voor rustieke folk, deltablues, country en swamprock zomaar voor het grijpen liggen. Norgrens trio is inmiddels aangezwollen tot een wendbaar vierspan, dat garant staat voor een gevarieerde set waarin ‘intens’ en ‘bezwerend’ als sleutelwoorden dienst doen.

Daniel Norgren -houthakkershemd, honkbalpetje- beroerde afwisselend een accordeon, piano en gitaar en opereerde steevast op het scherp van de snee. Hij trakteerde het publiek op sinistere slaapliedjes en sepiakleurige southern soulballads, waarin al eens echo’s uit het oeuvre van The Band en Van Morrison weerklonken. Maar met zijn even epische als grofkorrelige gitaarstijl (‘Are We Running out Of Love’) schoot hij net zo goed pijlen af naar Neil Young. Norgren vertelde in zijn songs over gieren die met knorrende magen boven je hoofd cirkelen (‘Black Vultures’) of over zijn problematische relatie met illegaal gestookte destillaten (‘Moonshine Got Me’) en deed dat zo indringend dat je als toeschouwer af en toe naar adem moest happen. Dat de man zijn bekendste nummer, ‘Why May I Not Go Out and Climb the Trees?’, voor de gelegenheid zo drastisch herkneedde dat er een dna-test nodig was om het te identificeren, getuigt bovendien van een gezonde dosis lef. U mag ons op ons woord geloven: Daniel Norgren rules.

De grote publiekstrekker op donderdag was uiteraard Lucinda Williams (***). De zangeres, wier carrière al vier decennia omspant, werd ooit in een song vereeuwigd door wijlen Vic Chesnutt en wie een beetje grasduint in haar discografie snapt gauw waarom: als liedjesschrijfster is la Williams al net zo handig met beelden en metaforen als haar vader, een gerenommeerde dichter en literatuurprof, die onlangs overleed. De wereld die ze schildert op haar platen is aan de druilerige kant: doorgaans portetteert ze rusteloze lieden die zich verwond hebben aan het leven (‘West of Memphis’) en dissecteert ze tumultueuze relaties die zelden eindigen met een happy-end (‘Drunken Angel’). Op het Tønderpodium werd ze bijgestaan door een strak spelende band die haar countryrock van een soulvol randje voorzag of bijkleurde met hitsige blueslicks.

Lucinda Williams zingt zoals Keith Richards gitaar speelt: een beetje at random. Toch waren haar Zuiderse tongval (ze komt niet toevallig uit Louisiana) en haar benevelde dictie (ze leek last te hebben van een opgezwollen tong) wellicht niet aan iedereen besteed. Bovendien klonk de 64-jarige artieste niet altijd even toonvast en vloog ze live op automatische piloot. Pas halverwege de set, met het solo gebrachte‘The Ghost of Highway 20’ en de titelsong van ‘Sweet Old World’, een lp die ze, omdat hij dezer dagen een kwarteeuw oud is, net volledig opnieuw heeft opgenomen, gaf ze blijk van enige vitaliteit. De meubelen werden alsnog gered met de vette r&b van ‘Changed the Locks’ en de ZZ Top meets gospel-oefening ‘Get Right With God’. Zwierige uitsmijters, daar niet van, maar we hadden de alt.countrydiva al veel overtuigender gehoord. Hopelijk voor u verkeert de Queen of Americana op 31 augustus in het Rivierenhof dus in betere vorm.

Als de ijskap van Groenland tegenwoordig onrustwekkend snel aan het smelten slaat, ligt dat zeker ook aan Nive Nielsen (***), een innemende chanteuse uit Nuuk die de inuitfolklore al lang is ontgroeid en, met haar groep The Deer Children, een eigentijdse vorm van folkrock maakt waarin een ukulele, banjo, lapsteel, zingende zaag en kazoo (vijf stuks!) tot de vaste rekwisieten behoren. Toch zijn Nielsen, binnenkort als actrice te zien in een nieuwe tv-reeks van de makers van Breaking Bad, en haar gezellen niet vies van good old rock-‘n-roll. De ene keer klonken ze als een lichtvoetige Velvet Underground, de andere verwezen ze naar de woestijnvibe van Giant Sand. Voeg daarbij enkele warmbloedige, naar Calexico lonkende toeters en je begrijpt waarom Howe Gelb, John Parish en The Black Keys Nive Nielsen al een poosje aan de boezem drukken. Zelf waren we vooral gecharmeerd door huis-, tuin- en keukenliedjes als ‘Good For You’, het in een grillige climax uitmondende ‘In My Head’ en het van Chad Vangaalen geleende ‘Willow Tree’: arctische pop met een lange houdbaarheidsdatum. 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven