Concertreview: Loudon Wainwright III, Marc Cohn en Grant-Lee Phillips op het Deense Tønder festival

, door (ds)

Loudon Wainwright III (****) is een kwajongen van zeventig, een zotskap met een klein hartje, die als songwriter vooral oog heeft voor de tragikomische kanten van het leven. Als humor het wapen van de machtelozen is, beschikt de Canadese Amerikaan dus over een ondoordringbare verdedigingslinie. Bovendien kennen we Wainwright als een gewiekste entertainer: aan een gitaar of ukulele heeft hij genoeg om zijn verhaaltjes over de drie d’s (dood, depressie en drankzucht) vleugels te geven. De zanger bracht tot dusver 26 platen uit, waarvan de jongste, Haven’t Got the Blues, uit 2014 dateert en nog steeds schrijft hij met een mengeling van ironie, sarcasme en mededogen over de menselijke conditie (zie ‘The Man Who Couldn’t Cry’). Als luisteraar weet je nooit helemaal zeker of hij nu je lachspieren masseert, dan wel je traanklieren bewerkt. Het profetische ‘I Had A Dream’, waarin Wainwright een jaar voor de feiten al de verkiezingsoverwinning van Donald Trump voorspelde, stond in de set broederlijk naast het hilarische ‘It’s Love & I Hate It’.

Covers van Peter Blegvad (het pakkende ‘Daughter’), Tom Lehrer en Mose Alison werden afgewisseld met eigen nummers, waaronder oude publieksfavorieten als ‘One Man Guy’ en ‘The Swimming Song’. Maar Loudon Wainwrights belangrijkste inspiratiebron bleek toch zijn familie te zijn. Zo declameerde hij fragmenten uit de columns die zijn overleden vader ooit schreef voor Time, bezong hij op een geestige manier de vreugdes van het ouderschap (‘Being a Dad’), ging hij op zoek naar de opa die hij nooit had gekend (‘Half Fist’) en toonde hij zijn gevoelige kant in liedjes over de komst van zijn kinderen (‘Dilated to Meet You’) of de drankzucht van zijn oude moeder (‘White Winos’). Een enkele keer nam hij plaats aan de piano (‘In C’), maar wanneer het té serieus dreigde te worden, wurmde de ex van wijlen Kate McGarrigle en de verwekker van singer-songwriters als Rufus en Martha Wainwright en Lucy Roche zich snel weer in de rol van onverbeterlijke potsenmaker. De toeschouwers vonden het te gek en ondergetekende haalde het niet in zijn hoofd hen tegen te spreken.

Lieden met een geheugen en voldoende jaren op de teller kennen Marc Cohn (***) wellicht van de radiohit ‘Walking in Memphis’ uit 1991. Sindsdien werkte de kalende zanger samen met goed volk als Crosby & Nash, Bonnie Raitt, Kris Kristofferson, Rosanne Cash en Jackson Browne en maakte hij enkele puike maar onopvallende langspelers die in Europese wateren weinig rimpels veroorzaakten. In 2005 probeerde een onvriendelijke carjacker Cohns kop eraf te schieten, wat slechts op een haar na mislukte, maar hem met zoveel post-traumatische problemen opzadelde dat zijn carrière nooit meer uit het slop raakte. Zelfs waren we hem, eerlijk gezegd, al een beetje vergeten, maar tijdens Tønder bewees de man, afwisselend op gitaar en piano, dat hij nog niet was uitgeteld.

De organische sound die hij, samen met organist Glenn Patscha en percusionist Joe Bonadio, op het podium voortbracht, deed nog het meest aan die van The Band denken. Geen toeval dus dat één van zijn songs geïnspireerd was door en opgedragen aan Levon Helm. Behalve filmische eigen nummers, zoals het donkere maar vingerknippende ‘Ghost Train’ of de escapistische car songSilver Thunderbird’, had hij ook een beschaafd swingende cover van Willie Dixon (’28 Ways’) in de aanbieding. Een hippe vogel zal Marc Cohn niet meer worden (hij is tenslotte al 58), maar hem voor een eendagsvlieg verslijten zou onrechtvaardig zijn. In Denemarken waren ze die ene classic van 26 jaar geleden alvast nog niet vergeten.

Veel belangstelling was er ook voor Grant-Lee Phillips  (****), die tijdens de nineties als voorman van de groep Grant Lee Buffalo enkele pagina’s rockgeschiedenis schreef en inmiddels acht soloplaten op zijn palmares heeft staan. Tijdens Tønder verscheen hij in zijn eentje op het podium: niets in de zakken en slechts een akoestische gitaar in de handen. Dat volstond, want Phillips, een nazaat van de Cherokee-indianen, is een begenadigde zanger. We hoorden hem zijn bedachtzame songs over slavernij, de koude oorlog, jeugdige overmoed en de Mona Lisa dan ook trefzeker op het publiek afvuren. Wanneer je liedjes als ‘Holy Irons’, ‘Arousing Thunder’ of het rockabilly-achtige ‘Loaded Gun’ in hun meest afgekloven versies voorbij hoorde komen, merkte je pas echt hoe vernuftig ze in elkaar zaten en hie zelfzeker Grant-Lee Phillips is als performer.

Het publiek bestond duidelijk uit fans van het eerste uur, die de zanger dermate aanvuurden dat hij meermaals boven zichzelf uitsteeg. Die wisselwerking zorgde voor magische momenten en toen Phillips met ‘Mighty Joe Moon’, ‘Honey Don’t Think’, ‘Jupiter and Teardrop’, ‘The Hook’ en het sepiakleurige ‘Stars & Stripes’ het hoofdstuk Grant Lee Buffalo aansneed, weerklonken de opgewonden kreetjes zo luid dat de zanger de klankman prompt om meer volume verzocht. Dit was rock-‘n-roll in zijn puurste en elementairste vorm. Toen Phillips ten behoeve van ‘Mockingbirds’ en het onverslijtbare ‘Fuzzy’ zijn mooiste falset opdiepte, rolden ook de fans, met wisselend succes, hun stembanden uit. Maar dat kon de pret niet drukken en met afsluiter ‘The Shining Hour’ vatte de artiest de teneur van zijn show perfect samen. Makkelijk zát. Hoeven we het zelf niet meer te doen. 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven