Concertreview: Anderson East, King James, Theessink & Evans, AJ Croce en World on A String op het Deense Tønder festival

, door (ds)

Een bleekscheet die klinkt als Wilson Pickett in zijn beste dagen? Daar mogen ze ons altijd wakker voor maken. Anderson East (***) is dan ook niet de eerste de beste. Sinds hij in 2015 zijn cd Delilah inblikte, weet de 29-jarige rhythm & blueszanger waar de klepel hangt: in de legendarische Muscle Shoals studio in Alabama. Voorts is hij te horen op de soundtrack van Fifty Shades Darkeren heeft hij al zoete broodjes gebakken met Dave Cobb, een producer die eerder bij Jason Isbell op de loonlijst stond. Live laat hij zich begeleiden door een soepel spelend zootje Nashville cats, dat nummers als ‘Devil in Me’ of  ‘I Can’t Quit You’ van een veerkrachtig chassis voorziet.

Een classic als het van Sam & Dave geleende ‘Hold On, I’m Coming’ is Anderson East op het lijf geschreven: een wiebelende bas die speels tegen je middenrif aan beukt, een krols orgeltje en blazers die afwisselend schuren en smeulen. Maar zijn sound is méér dan een zoveelste knipoog naar het verleden. East en zijn kompanen hebben ook op forse gitaarriffs gebouwde Southern rock in de etalage liggen. Dat de zanger van vele markten thuis is, bleek uit zijn subtiele gitaarspel en doorvoelde voordracht in het solo gebrachte ‘What A Woman Wants to Hear’. Kippenvel. Ook onze heupen

bevonden zich tegen het einde van de set in swingmodus. Samengevat: Anderson East was zo’n kerel die geen kompas nodig had om het euh.. noorden te vinden.

Wie nog nooit in New Orleans was geweest, kon de stad horen gonzen in de muziek van King James & The Special Men (***), een feestorkest uit The Big Easy, aangevoerd door ene Jimmy Horn. Dat heerschap beschikt niet alleen over een gruizig keelgeluid dat aan Louis Armstrong herinnert, hij speelt bovendien een gemeen stukje bluesgitaar. Voeg daarbij een funky ritmesectie, hitsige toeters en een piano die college heeft gevolgd bij Professor Longhair (zie de knallende boogie woogieversie van Leadbelly’s ‘Goodnight Irene’) en u begrijpt waarom The Special Men geen applausmeester nodig hadden om het publiek in beweging te krijgen. Jammer dat de eerste helft van hun show beheerst werd door de Young Semiole Hunters (**), drie indianen in even opzichtige als veelkleurige mardi graskostuums, die, enkel met drumbegeleiding, hun traditionele carnival chants demonstreerden. Leuk, zij het net iets te monotoon en langdradig om de aanwezigen bij de les te houden.

Al jaren een vaste klant op Tønder is de Nederlandse maar internationaal gerenommeerde bluesgitarist Hans Theessink. Dit jaar trad hij aan met de zwarte Amerikaan Terry Evans (****), een veteraan die je al eens tegenkomt op de platenhoezen van Ry Cooder en onlangs tachtig werd (Theessink: ‘Hij loopt een beetje traag, maar zingen kán hij!’). Beide heren zetten hun tanden in een reeks standards uit het gospel- en countrybluesrepertoire, waarbij ze vocaal om beurten het voortouw namen. De opgeroepen sfeer was die van de katoenvelden in Mississippi of van de vrachttreinen waarmee zwervers zonder kaartje van het ene shithole naar het andere plachten te reizen, om toch weer te eindigen in Nowheresville, USA. De stemmen van beide muzikanten pasten prima bij elkaar,

Theessinks capriolen op de snaren deden je om de haverklap de oren spitsen en de nummers uit het songbook van Big Bill Broonzy, Bo Diddley, Chuck Berry, J.B. Lenoir en de Delmore Brothers waren zo oud dat ze vanzelf een tijdloze aura kregen. Toen Theessink en Evans er, tot jolijt van de fijnproevers, het spinrag afbliezen en er hun eigen stempel op drukten, leek het echter alsof je ze nog nooit eerder had gehoord.

De uitsmijter van het festival stond garant voor een party, want zodra A.J. Croce (****) en zijn band op het podium verschenen, stroomde de dansvloer vol.  Adrian James is een nazaat van singer-songwriter Jim Croce, in 1973 ten onder gegaan in een vliegtuigcrash, en één van de weinige artiestenzonen die uit de schaduw van hun beroemde vader wisten te ontsnappen. Behalve aan zijn talent ligt dat uiteraard aan het feit dat hij, op zijn 45ste, al vijftien jaar ouder is dan pa Croce ooit werd en dat zijn discografie dubbel zoveel titels telt. 

A.J. mag dan al in Nashville resideren, zijn swingende muziek wijst, met haar jazzy en funky inflecties, veeleer richting Louisiana. Een voor de hand liggende invloed is Allen Toussaint, al deed de zanger, met covers van Skip James (een opzienbarende latin-versie van ‘Judgement Day’), Sam Cooke, Billy Preston en Jim Croce, niet flauw over de akker waarop hij zijn wortels sprokkelt. Naast vertrouwd spul als ‘Easy Money’, ‘Coraline’ of het met Leon Russell geschreven ‘Rollin’ On’, serveerde hij ook al een gulle portie songs uit zijn pas verschenen negende cd ‘Just Like Medicine’, waarvoor hij de legendarische Dan Penn als producer wist te strikken. En naar die dynamische voorproefjes te oordelen, mag je die met een gerust gemoed op je boodschappenlijst zetten.

Nog het onthouden waard was tot slot het Deense kwartet World on A String dat, als onderdeel van het Folk Spot dk-programma, met gitaar, viool, contrabas en percussie, een even zinnenprikkelende als ondefinieerbare mix speelde van gypsy jazz, tabla-exotiek, oriëntaalse grooves en dingen waar men nog een etiket voor moet bedenken. Een bewijs dat je, ook op Tønder, soms pareltjes tegenkomt in onverwachte hoeken. 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven