De 100 beste films: #46: 'Saturday Night Fever' (John Badham, 1977)

, door (es)

Saturday Night Fever Vrij

Burn, baby, burn! Gooi die spetterende intro van ‘Disco Inferno’ van The Trammps in de ether en ons lijf barst onmiddellijk los in een kinetische discodans – hoog in de lucht priemende wijsvinger inbegrepen.

Op de weergaloze, door ons o zo gekoesterde en grijsgedraaide soundtrack van ‘Saturday Night Fever’ staan trouwens nog meer discoklassiekers die zo fantastisch klinken dat we echt niet kunnen vatten waarom disco in sommige kringen tot op de dag van vandaag een slechte naam heeft. ‘If I Can’t Have You’ van Yvonne Elliman, ‘A Fifth of Beethoven’ van Walter Murphy, ‘Calypso Breakdown’ van Ralph McDonald, ‘Boogie Shoes’ van K.C. And The Sunshine Band, al die magische nummers van de hemelse Bee Gees: puur goud.

Maar let op: wie nu denkt dat het hier om een pretentieloze dansfilm gaat, slaat de discobal grandioos mis. Integendeel: regisseur John Badham, een geweldige vakman die ook enkele onvervalste eightiesklassiekers op zijn naam heeft staan (‘Whose Life Is It Anyway?’, ‘WarGames’, ‘Blue Thunder’), en de scenaristen Norman Wexler (‘Serpico’) en Nik Cohn schiepen met ‘Saturday Night Fever’ één van de wrangste films uit de seventies.

Natúúrlijk ogen de puntkragen en de olifantenpijpen van John Travolta anno 2015 hopeloos gedateerd, een beetje lachwekkend zelfs, maar wie voorbij de outfits en de kapsels kijkt, treft een tijdloos coming of age-drama aan over een 19-jarige jongen die zichzelf wanhopig probeert los te bijten van zijn eigen beklemmende universum. In de eerste, meteen al onvergetelijke scène zien we Tony Manero (Travolta) op z’n Tony Manero’s door de straten van Brooklyn paraderen: een knalrood hemd, een onmetelijk cool leren jasje, modieuze schoenen, een viriele halsketting, een benijdenswaardige haargolving (vraag: droeg Travolta toen al een haarstukje of was dit zijn eigen coiffure?), de rechterarm energiek heen en weer wapperend op de onweerstaanbare beat: ‘Well you can tell by the way I use my walk I’m a woman’s man: no time to talk!’

Tony lijkt wel de koning van Brooklyn – alleen die ordinaire verfpot die hij in zijn níét zo energiek heen en weer wapperende linkerhand geklemd houdt, wijst er discreet op dat Tony een simpele jongen uit Bay Ridge is, ‘niet eens de slechtste buurt van Brooklyn’. Overdag werkt Tony zich uit de naad in een verfwinkel (die kiel staat hem iets minder cool dan zijn leren jasje), ’s avonds krijgt hij er steevast van langs van zijn bulderende ouders (‘Waar heb je gezeten?!’, ‘Je moeder vraagt je wat!’); maar de nacht behoort hém toe.

In zijn slaapkamertje legt hij – terwijl Bruce Lee, Serpico en Rocky onbewogen vanaf de muren toekijken – zijn haardos in de juiste plooi met behulp zijn Super Pro-haardroger; hij kiest – als in een heilig ritueel – zorgvuldig de juiste outfit; en vervolgens begeeft hij zich naar de nachtclub 2001 Oddyssey – zaterdagnacht, puntkraagtime! De 2001 Oddyssey is zijn koninkrijk, en de dansvloer het domein waar hij in de toverachtige schittering van de spiegelbollen kan uitblinken; wanneer Tony op de dansvloer verschijnt, maken de andere feestvierders automatisch plaats.

Travolta zien dansen in ‘Saturday Night Fever’, hem al die fantastische moves in één vloeiende stroom aan elkaar zien rijgen, is een ware sensatie – zijn geweldige talent steekt ons altijd weer de ogen uit. Die zaterdagavonden in de Oddyssey zijn echt álles voor Tony; alleen dáár krijgt hij af en toe eens van iemand te horen dat hij iets waard is. Maar Tony heeft een donker kantje; de helft van de tijd gedraagt de discogod zich als een hatelijke punk. Hij en zijn maats kafferen homo’s uit, rammen hispanics in elkaar en delen vrouwen in in twee categorieën: nette meisjes en sletten (bericht aan onszelf: wáág het niet te zeggen dat hij een punt heeft).

Nog wreder: met het oog op de nieuwe danswedstrijd in de Oddyssey (prijzenpot: 500 dollar) ruilt hij Annette (Donna Pescow), zijn vaste danspartner, zonder scrupules in voor Stephanie (Karen Lynn Gorney), een upper-classgriet uit Manhattan die in de Oddyssey af en toe haar benen komt uitslaan.

Zijn gesprekken met Stephanie – een cultuurmeisje dat naar films van Franco Zeffirelli gaat kijken, thee drinkt op café en droomt van een eigen flat in Manhattan – doen hem langzaam inzien dat hij in een doodlopend straatje zit; dat zijn vrienden eigenlijk hufters zijn; dat die prijzen geen zier voorstellen; en dat zelfs de dansvloer hem niet kan behoeden voor de klappen die het leven uitdeelt.

Ook in ‘Saturday Night Fever’ vind je dus de grauwheid en de hardheid terug die zo typisch is voor de Hollywoodfilms uit de jaren 70; ijskoud word je van de scène waarin Tony geen krimp geeft wanneer zijn vrienden hun gang gaan met die arme Annette. ‘Saturday Night Depression’ zou ook een goede titel zijn geweest; maar er is altijd de muziek; er is altijd de koorts; er is altijd de boogie. Tony die – terwijl de rookmachines hun ding doen en zelfs de prachtig rondzwevende camera een staat van gewichtloosheid lijkt te bereiken – samen met twee meiden van jetje geeft op ‘Night Fever’ van de Bee Gees (‘Here I am / Prayin’ for this moment to last’); waarna iedereen op de dansvloer ineens dezelfde danspasjes en armbewegingen begint te maken als hij: pure discomagie (Paul Thomas Anderson bracht in ‘Boogie Nights’ een mooie hommage aan die scène).

De wereld mag vergaan, Tony Manero zal altijd op de dansvloer staan.

Bekijk de trailer:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven