#21: 'The Godfather' (Francis Ford Coppola, 1972)

, door (es)

Sonny Corleone (James Caan) die bij dat zielige tolhuisje van kop tot teen wordt doorzeefd en als overmaat van ellende nog eens een stamp tegen z’n onherkenbaar verminkte knikker krijgt: kapót waren we toen we dat verschrikkelijke tafereel voor de eerste keer onder ogen kregen. Sonny was geen lieverdje, maar zo’n laffe, beestachtige moordaanslag had de oudste zoon van Don Corleone toch ook niet verdiend?

Maar natuurlijk zijn er nog duizend andere redenen waarom ‘The Godfather’, het eerste voldragen meesterwerk van Francis Ford Coppola, in ons hart en onze ziel en in onze Top 100 staat gekerfd. Michael (Al Pacino) die in dat Italiaanse restaurant in de Bronx afrekent met Sollozzo en McCluskey, de fielten die achter de aanslag op zijn vader zitten – honderd keer hebben we die onwaarschijnlijk spannende scène al gezien, en nog stééds zijn we bang dat Michael de revolver die Clemenza achter de spoelbak van het toilet heeft laten verstoppen niet zal vinden en het hele plan in het water valt.

Er is de fijnzinnige regie van Coppola – alleen een ware grootmeester zou eraan denken om een scène in te lassen zoals die waarin de consigliere (Robert Duvall) de kinderen die zonet al spelend het kantoor van de Peetvader zijn komen binnenrennen, tot stilte aanmaant. ’t Lijkt een banaal moment, maar zo besef je wél onmiddellijk dat Don Corleone iemand is waar je eerbied voor moet hebben. Er is de briljante fotografie van Gordon Willis, bijgenaamd The Prince of Darkness, die de personages letterlijk door een schaduwwereld laat bewegen. En er is het indrukwekkende gevoel van levensechtheid, uniek voor een gangsterfilm in die tijd: ‘Dit zal alleen maar werken als we de spaghetti kunnen ruiken!’ zo placht producent Robert Evans te zeggen toen hij de verfilming van de roman van Mario Puzo van de grond probeerde te krijgen.

Een gouden raad die door Coppola, zelf van Italiaanse afkomst, werd opgevolgd: er wordt in ‘The Godfather’ evenveel screen time besteed aan kalfsvlees, cannoli en gehaktballen in tomatensaus als aan machinegeweren, complotten en moordaanslagen. Teneinde dat gevoel van authenticiteit nog wat te verhogen, castte Coppola in de bijrollen geen ervaren acteurs, maar onbekende Italiaanse Amerikanen die met een vuistdik New Yorks accent spraken – zoals Lenny Montana, een ex-worstelaar die de rol van Luca ‘sleeps with the fishes’ Brasi kreeg.

En zo komen we bij wat misschien wel de grootste troef is van ‘The Godfather’: de fantastische vertolkingen. Hoewel... Wat we nu gaan zeggen klinkt wellicht als heiligschennis – hopelijk vinden we morgen geen afgehakte paardenkop in onze Auping – maar: eigenlijk weten we niet zo goed of we Marlon Brando, met die overbestudeerde manier waarop hij aan die roos in zijn knoopsgat ruikt of door zijn vol brillantine zittende haar wrijft, in ‘The Godfather’ wel zo fantastisch vinden – zeker wanneer hij in het funerarium van Bonasera de afgeknalde Sonny gaat groeten (‘Look how they massacred my boy’) flirt hij met de lachwekkende overdrijving. Begrijp ons niet verkeerd: Brando zet hier een vertolking neer waar we keer op keer in opperste fascinatie naar zitten te kijken, maar als we goudeerlijk zijn, vinden we Duvall, Caan en vooral Pacino stukken sterker. Niet te geloven eigenlijk, dat Brando hiermee wegkwam.

O ja: nu gaat u ons wellicht vierkant uitlachen (‘Beseft die stoethaspel dat nú pas!?’), maar wij kregen pas recent (nou ja: een jaar of vijf geleden) in de smiezen dat met ‘The Godfather’ niet zozeer wordt verwezen naar Don Vito Corleone, maar naar zijn jongste zoon, Michael. Hoewel hij pas na drie kwartier of zo naar voren wordt geschoven, vertelt ‘The Godfather’ in wezen Michaels verhaal – een intriest, tragisch, teneerdrukkend verhaal.

In het begin leren we Michael kennen als een outsider: wanneer hij aan zijn liefje Kay (Diane Keaton) vertelt hoe de Don met de hulp van Luca Brasi een orkestleider onder druk ging zetten (‘He made him an offer he couldn’t refuse’), voel je in zijn stem een diepe verachting voor de praktijken van zijn vader (‘Zo is mijn familie, Kay. Niet ik.’). Maar wanneer hij de neergeschoten Don in het ziekenhuis gaat bezoeken, is het alsof hij in zijn hoofd een klik maakt: ‘Ik zorg voor je nu. Ik ben bij je.’ Uiteindelijk is het Michael himself die – tot verbazing van zijn broer en Clemenza, die het nooit in hem hadden gezien – in het restaurant gaat afrekenen met Sollozzo en McCluskey. Vlak nadat hij die twee heeft omgelegd mogen de blazers op de soundtrack extra luid tekeergaan: niet omdat de aanslag gelukt is, maar ter illustratie dat Michael is overgegaan naar de dark side.

Tijdens zijn ballingschap in Sicilië vindt Michael nog heel even zijn menselijkheid terug, maar wanneer zijn Siciliaanse geliefde omkomt in een bomaanslag, is zijn lot definitief bezegeld: zijn hart verandert in een ijsblok. Of hoe ‘The Godfather’ – behalve een weergaloos entertainende gangsterfilm – tot in de diepste pastamoleculen een hartverscheurende tragedie is (zoals eigenlijk al wordt aangegeven door die droef klinkende trompetsolo waarmee de film begint).

En dan gaan we nu gehaktballen in tomatensaus maken – op Clemenza’s wijze uiteraard.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven