#9: Alien (Ridley Scott, 1979)

, door (es)

alien

Net zoals de Xenomorph, de ijzingwekkende lifter uit de ruimte die erin slaagt om aan boord te komen van het vrachtschip Nostromo, door een bemanningslid op een bepaald moment bewonderend wordt omschreven als ‘het perfecte organisme’, zo kunnen we ‘Alien’ bestempelen als de (ei zo na) perfecte film.

Zoals de alien een overlever is die geen schuldgevoelens of moraal kent, zo is ‘Alien’ een onverwoestbare klassieker die geen dipjes, geen minpunten of geen gebreken kent. In alles – de muziek, de designs, de plot, de virtuoze manier waarop de film op de kronkelige lijn tussen horror en sciencefiction danst – benadert ‘Alien’ het zuivere meesterschap. Regisseur Ridley Scott wist indertijd precies wat hij moest doen om zijn eerste grote Hollywoodfilm de impact van een overrompelende nachtmerrie te geven; hij wist dat de sleutels tot het succes niet alleen bij de actie, bij de gore en bij de ‘You bitch!’-kreten lagen, maar eerst en vooral bij de sfeerschepping, de opbouw van de suspense, het voorspel.

Eerst de camera traagjes de gangen, de leefruimte en de cockpit van de Nostromo laten aftasten; daarna de zeven bemanningsleden op hun gemak wakker laten worden uit hun vriesslaap; en ze vervolgens een kwartiertje laten palaveren over contracten en bonussen (weten zij veel dat hun lot op dat moment al is beslecht: een geheimzinnig noodsignaal is binnengelopen, de Nostromo is van koers veranderd).

By the way: één van de elementen die we altijd fantastisch hebben gevonden is dat de bemanningsleden van de Nostromo geen kwieke ruimtehelden zijn, geen Luke Skywalkers of Flash Gordons, maar heel gewone arbeiders die mopperen over het premiestelsel, aan tafel sigaretten zitten te smoren (geen rookverbod in de ruimte), en liefst zo snel mogelijk terug naar huis willen – ‘Alien’ moet de eerste working class-sf-film ooit zijn. En de Nostromo zelf is geen wendbaar schip van het X-Wing-Fighter-type, maar een logge, roestende ruimtetanker die aan een opknapbeurt toe is – de lederen bekleding van de stoel waarin eerste officier Kane (John Hurt) plaatsneemt, is er zelfs erger aan toe dan onze eigen opgelapte sofa.

Terug naar die opbouw: ‘Alien’ is geen film voor luitjes die vinden dat ‘het snel moet gaan’, maar wij hebben het effect van die heerlijk lang uitgesponnen aanloop – de heldin begint pas na 40 minuten op de voorgrond te treden! – altijd overweldigend gevonden: je voelt je zélf als een astronaut die zich diep in de ijskoude ruimte bevindt, moederziel alleen, overgeleverd aan onbekende krachten. Scott was in 1979 ook nog niet de industriële inblikker die hij tegenwoordig is, maar een rasechte kunstschilder die de meest sfeervolle fresco’s en taferelen op het doek borstelde: de gierende landing op LV-426; Captain Dallas (Tom Skerritt) die de navigatielichten van het schip in de nevel laat aanfloepen; Dallas en Kane die in het licht van hun ruimtehelmlampen het gefossiliseerde skelet van de Space Jockey staan te betasten, waarna ze zich omdraaien en het wezen alleen met zijn geheimen in de duisternis achterlaten.

En, het hoogtepunt, waar ondraaglijke suspense en duistere poëzie elkaar ontmoeten: machinist Brett (Harry Dean Stanton) die op zijn eentje door de reusachtige catacomben van het schip dwaalt (‘Kitty, kitty, kitty!’) en het condenswater uit de koeltorens op zijn pet laat druppelen – ‘Toktoktoktoktoktok!’ En daarnaast blijft ‘Alien’ gewoonweg één van de meest angstaanjagende films die we kennen – de openbarstende borstkas doet ons bloed nog altijd in onze aderen stollen.

De paniek op de gezichten van de acteurs (let vooral op Veronica Cartwrigth) was overigens niet geveinsd – Scott, die kapoen, had hun niet op voorhand verteld dat ze tijdens de opname van de chestburster-scène een fontein van bloed en ingewanden over zich heen zouden krijgen. En geen idee of het u ooit al eens is opgevallen, maar ‘Alien’ bárst van de seksuele symboliek – van de vrouwelijke uitstulpingen op de wanden van de Nostromo tot de op vagina’s lijkende ingangen van het buitenaardse schip. Meer nog: wetenschapsofficier Ash (Ian Holm) legt op een bepaald moment uit dat die griezelige facehugger de comateuze Kane van zuurstof voorziet en in leven houdt, maar je kunt natuurlijk evengoed stellen dat dat beest Kane vrolijk zit te deepthroaten.

Of denk aan de ‘geboorte’ van de alien: ‘De zoon van Kane’, horen we Ash zeggen, een observatie die door de rest van de bemanning op een gênante stilte wordt onthaald. Of denk aan de onmiskenbare vrouwelijke vormen en curves van de volwassen alien zelf – een ontwerp van de vorig jaar overleden Zwitserse kunstenaar H.R. Giger, die in zijn werk wel vaker speelde met seksueel geladen beelden. En wanneer Ripley (Sigourney Weaver) in de reddingssloep in de aanwezigheid van de alien begint te strippen, voelen wij de slang tussen onze benen altijd weer – oké, we laten ons hier iets te enthousiast meeslepen, maar u snapt waar we heen willen: het hele ‘Alien’-avontuur heeft iets grofzinnelijks, iets vaginaals, iets... vulvangstaanjagends. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de scène waarin Ash een opgerold tijdschrift tussen de lippen van de spartelende Ripley duwt. Gelukkig gebruikt hij geen Humo!

Bekijk de trailer:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven