#8: 'Aguirre, der Zorn Gottes' (Werner Herzog, 1972)

, door (es)

In ‘Aguirre, der Zorn Gottes’, het meest indrukwekkende toverkunstje van onze favoriete Duitse magiër Werner Herzog (zie ook #92 en #69), vinden we één van de mooiste openingsscènes uit de geschiedenis terug.

We zien hoe enkele honderden mannen een nevelige bergpas oversteken en voorzichtig naar het oerwoud afdalen, maar zoals Herzog die mannen in beeld brengt – de scène werd opgenomen in de buurt van de Incastad Machu Picchu – lijkt het wel alsof ze letterlijk uit de wolken afdalen. De betoverende synthklanken van Popol Vuh die ons intussen omvloeien maken het hele tafereel nog wat onwerkelijker.

Voilà, de film is nog geen twee minuten bezig en Herzog heeft je al waar hij je hebben wil – op die vreemde gevoelsgrens tussen droom en realiteit. Het is een openingsshot waar je je eindeloos aan wil vergapen, maar tegelijk voel je intuïtief dat die droeve stoet van afgepeigerde soldaten helemaal niet thuishoort in dat overweldigende landschap. Het gaat om indringers; een groep Spaanse conquistadors die in het moerassige Amazonegebied, ver van bewoond gebied, op zoek zijn naar het mythische goudland El Dorado.

Dieper en dieper dalen ze af, tot ze op de oever van een kolkende stroom uitkomen. ‘Ik zou die rivier niet afzakken,’ horen we de grimmig voor zich uitkijkende edelman Lope de Aguirre zeggen (Klaus Kinski). Klaus Kinski! We zweren het u: terwijl we zonet zijn naam intikten, weerklonk buiten een enorme donderslag. De ruzies die Herzog en Kinski op hun sets uitvochten (ze maakten samen vijf films) vormden de stof voor legenden, én voor een schitterende documentaire: ‘Mein liebster Feind’ (1999).

Tijdens de opnamen van ‘Aguirre’ liet Kinski zich van zijn uitzinnigste kant zien – hij gedroeg zich als een hysterische maniak, sloeg een acteur met zijn zwaard zo hard op het hoofd dat de man bijna een schedelbreuk opliep, en vuurde ’s nachts met zijn Winchester drie kogels af op enkele figuranten die volgens hem veel te veel lawaai maakten in hun tent – het was een mirakel dat er slechts één vingertopje sneuvelde. Maar ‘Aguirre’ vormt het magistrale bewijs dat de clash tussen twee gigantische ego’s soms tot grootse resultaten kan leiden. De vertolking van Kinski vormt hier een spektakel op zich – zie hem brullen en tieren en als een dolleman tekeergaan wanneer de veroveraars in de jungle komen vast te zitten (‘Doorlopen, idioten!’). Het is de eerste (maar lang niet de laatste) keer in de film dat je de waanzin in Kinski voelt opborrelen; acteur en personage lijken gevangen te zitten in dezelfde oerwoudpsychose.

Maar Aguirres maniakale aanvuringen hebben geen zin – de expeditie loopt onherroepelijk vast in de lianen, waarop de commandant beslist om enkele vlotten te bouwen: ‘We bemannen de vlotten met 40 mannen. Zij moeten voedsel zoeken en precieze aanwijzingen over de locatie van El Dorado.’ Maar Aguirre had het natuurlijk bij het rechte eind toen hij zei dat het een dom idee was om die rivier te willen afvaren, en dan hebben we het niet alleen over de gifpijlen die geregeld vanop de oevers in hun richting komen aanzoeven.

In één van de meest angstaanjagende scènes komt één van de vlotten vast te zitten in een tegenstroom; de volgende ochtend blijkt dat de opvarenden allemaal zijn afgeslacht. Maar het gevaar komt ook van binnenuit: met name Aguirre, die meer en meer ten prooi lijkt te vallen aan hoogheidswaanzin, neemt het bevel van de expeditie hardhandig over – check de afgehakte kop die nog even blijft doorpraten – en sleurt de mannen dieper en dieper mee de hel in. Die Aguirre is trouwens een vintage Herzog-personage: een hemelbestormer die ingaat tegen het establishment, de natuur uitdaagt, en uiteindelijk ten onder gaat aan zijn eigen waanzinnige obsessies.

‘Aguirre, der Zorn Gottes’ heeft bijwijlen de rauwe kracht van een documentaire: Herzog, die donders goed wist dat het een onbegonnen zaak was om de jungle in een studio te laten nabouwen, trok helemaal naar Peru, waar hij daadwerkelijk vlotten liet bouwen en de acteurs wekenlang onafgebroken in hun kostuums bleven zitten, ook al sloegen ze bruin uit van het slijk. Pas wanneer je die afgepeigerde gezichten ziet, besef je dat die mannen daar en toen in dat hooggebergte iets authentieks, iets ingrijpends moeten hebben meegemaakt.

Tegelijk ademt ‘Aguirre’ de onwerkelijkheid uit van een droom. Hoe verder de vlotten de rivier opvaren, hoe surreëeler de trip begint te worden; zelfs het geschreeuw van de kaketoes begint na verloop te klinken als iets uit een delirium. Soms neemt de film zelfs de allure aan van een groteske komedie, zoals wanneer ze in het midden van de jungle een heuse rechtbank oprichten teneinde de commandant van de expeditie te berechten. Op die momenten voel je in al je vezels dat Herzog niet alleen de Spaanse veroveraars in hun hemdje zet, maar de hele mensheid – onze hoogmoed, onze hebzucht, onze nietigheid.

Op het eind zijn de soldaten allemaal ten prooi gevallen aan een soort droomkoorts, en weten ze niet meer wat echt is en wat niet – is die boot die ze in de boomtoppen zien hangen een luchtspiegeling of niet? En ook wij hebben na negentig minuten ‘Aguirre’ altijd weer het gevoel dat we onszelf hebben verloren in een machtige hallucinatie; een mystiek visioen van een groots cineast. Heil Herzog.

Bekijk de trailer van 'Aguirre, der Zorn Gottes':

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven