#7: 'Excalibur' (John Boorman, 1981)

, door (es)

excalibur

De beste verfilming van Tolkiens ‘Lord of the Rings’ is van de hand van John Boorman en heet ‘Excalibur’.

Dat zit zo: in het begin van de jaren 70 waagde Boorman, de regisseur van ‘Point Blank’, ‘Hell in the Pacific’ en van #91 en #31, een heel concrete poging om Frodo, Gandalf en Gollum naar het witte doek te brengen. Het script was gereed, de locaties waren al gevonden, maar United Artists vond het project te duur en zette het licht op rood. Boorman besloot dan maar om the next best thing te verfilmen – hij greep terug naar één van de mythen die als inspiratiebron voor ‘Lord of the Rings’ hadden gediend, met name de Keltische legende van de tovenaar Merlijn, koning Arthur en het onoverwinnelijke zwaard Excalibur (Boorman: ‘Want wie is Gandalf anders dan Merlijn in een andere gedaante?’).

Hoewel de film slechts twee uur duurt, vinden we in ‘Excalibur’ alle roemruchte figuren, locaties en verhaallijnen uit de Arthur-legenden terug: de bouw van Camelot, de ridders van de ronde tafel, de verboden liefde tussen Sir Lancelot van het Meer en Guinevere, de apocalyptische zoektocht naar de Graal, en de ultieme clash tussen Arthur en zijn boosaardige bastaardzoon Mordred. De zwaarden kletteren, reusachtige katapulten vuren rotsblokken af op belegerde burchten, ridders worden doorboord en tuimelen onder het slaken van ijselijke doodskreten in de slotgracht – en dat allemaal in het oogverblindende Ierse natuurschoon waar Boorman eigenlijk zijn Midden-Aarde had willen vestigen.

In één van de onvergetelijkste scènes galopperen de ridders, met de jonge Arthur voorop, door het woud op de machtige tonen van ‘O Fortuna’ uit de ‘Carmina Burana’ van Carl Orff yes sir, wij hebben die indrukwekkende muzikale ode aan de zinnelijke liefde leren kennen dankzij ‘Excalibur’! Wij krijgen het ook altijd weer ijskoud van die magistrale scène waarin Uther Pendragon, de vader van Arthur, in het woud in een hinderlaag loopt en vlak voor hij het loodje legt zijn magische zwaard uit de handen van zijn vijanden redt door het met één laatste machtige stoot in een rots te drijven: ‘No-one shall have the sword! No-one shall wield Excalibur but me!’ En dan de vonken die onder het roepen van die ‘...but me!’ van de kling van het zwaard spetteren en de muziek van Wagner die je tot in je ziel hoort weergalmen – rillingen zonder weerga! Dubbele laag kippenvel!

Op de momenten dat de ridders de vizieren van hun helmen omhoog klappen zult u overigens een heleboel bekende gezichten herkennen: onder meer Gabriel Byrne (Uther), Liam Neeson (Heer Gawein) en Patrick Stewart (Leondegrance) maakten in ‘Excalibur’ hun officiële langspeelfilmdebuut. En het is genieten geblazen van de ultragetalenteerde, in 2011 overleden Britse acteur Nicol Williamson, die Merlijn neerzet als een schelmse magiër die wisecracks afvuurt als: ‘Die koek is alsof je naar de toekomst kijkt. Voor je hem geproefd hebt, wat weet je ervan? En daarna is ’t natuurlijk te laat.’ Het is eens iets anders dan ‘Yippe-ki-yi-yay, motherfucker!’

Wie naar ‘Excalibur’ kijkt, wordt niet alleen teruggeworpen in de vroegmiddeleeuwse atmosfeer van mythen en sagen, maar ook naar het tijdperk van de ambachtelijke production design. U krijgt géén digitale knotsenzwaaiende trollen, géén ridderlegers die als tsunami’s over het scherm rollen, en géén hyperkinetisch aan elkaar gemonteerde veldslagen, maar magnifiek uitgelichte taferelen die je van de eerste tot de laatste minuut het sprookjesachtige gevoel geven dat je – zoals Merlijn het zou zeggen – ‘op de adem van de draak rondzweeft’. Zie die wondermooie openingsscène waarin de ridders met hun fakkels het woud als in een droom doen oplichten. En in de vechtscènes wordt er niet al flitsend geduelleerd, maar moeizaam op elkaar ingehakt – het kost de soldaten zichtbaar moeite om die topzware hellebaarden en krijgsbijlen boven zich uit te tillen, en de ridders die Uther in het bos achtervolgen, komen in hun loodzware harnassen zo traag vooruit dat het wel lijkt alsof ze met loden zolen in een droomwereld rondwaden.

Het 11-jarige jongetje in u kan z’n hartje ophalen aan de maliënkolders en de steekspelen, maar daarnaast ademt ‘Excalibur’ ook een gevoel van melancholie uit. Het verhaal speelt zich af op het scharnierpunt tussen twee tijdperken: het era van de tovenaars loopt stilaan ten einde, het era van de mens is begonnen. ‘De dagen van mijn soort zijn geteld,’ horen we Merlijn lamenteren, ‘nu is ’t de tijd voor mensen en hun manier van doen.’

Het is vooral dáár, op het snijvlak van mythe en weemoed, dat Boormans ‘Excalibur’ en Tolkiens ‘Lord of the Rings’ elkaar vinden – want wat is ‘Lord of the Rings’ anders dan het elegische verhaal van de elfen die stilaan uit Midden-Aarde wegtrekken (alleen Peter Jackson zag het niet zo: hij schrapte de weemoedigheid en maakte er een pure oorlogsfilm van).

Ja, de goden van weleer zijn bijna allemaal verdwenen, en de geesten van wouden en rivieren zullen weldra zwijgen – maar nu nog niet! Arthur, Merlijn, Lancelot, Parzival: nog één keer mogen ze oprijzen uit de nevel van de vergetelheid; nog één keer mogen ze op de tonen van ‘O Fortuna!’ uitrijden en hun zwaarden heffen. Aanschouw het onoverwinnelijke meesterwerk... ‘Excalibur’!

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven