
Ik ben aan zee, in de Sint-Theresiakapel in Westende-Bad. De tegelvloer is er met landbouwplastic afgedekt. Er liggen rijen olieverftubes op uitgespreid, geordend volgens kleur. Voorts zie ik borstels en penselen, potten en pannen, en nog andere recipiënten. In de overkoepelende verf- en terpentijnlucht houdt nog net een vleugje wierookgeur stand.
"'Ik ben op mijn hoede: ik besef dat ik niet meer om het even wat kan tekenen'"
Voor me rijst een monumentaal schilderij op, dat op dit ogenblik nog een work in progress is - het doek is zo groot dat de schilder er een rolsteiger bij nodig heeft. Het is geïnspireerd op een literair hoogtepunt uit de bijbel: het boek Job, het oudtestamentische horrorverhaal van de vrome rijkaard Job, wiens geloof door de Here wreedaardig op de proef wordt gesteld, want de Here, cavalier seul in de eeuwen der eeuwen, hoeft geen beschuldiging van misdaden tegen de menselijkheid te duchten, en ook geen menselijkheid.
Centraal op het schilderij staart de verhakkelde, grandguignoleske Job je met één oog aan: een oog dat meer dan genoeg heeft gezien. De schilder is Kamagurka, die in olieverf Luc Zeebroek heet. 'Job' heeft hij op uitnodiging van 2006 Beaufort gemaakt, een grote, over de hele Belgische kust verspreide tentoonstelling, die op 1 april opent en pas op 1 oktober weer dichtgaat.
Even later bevinden we ons zevenhoog met uitzicht op zee in het badplaatsje Mariakerke. Hier kun je de indruk krijgen dat je aan boord van een oceaanstomer bent, oneindig veel zeemijlen uit de kust. Luc Zeebroek zegt me dat een kennis van hem, een landrot, laatst tekenen van zeeziekte vertoonde toen hij iets te lang uit het raam had gestaard. Nu we hier toch zijn, wil hij me iets laten zien: hij schuift het raam open en begint buitenshuis met een boterham te wapperen. Het duurt geen dertig seconden of de eerste meeuw meldt zich aan: ze blijft roerloos hangen, nauwelijks een meter van ons verwijderd: een surplace tussen hemel en aarde, een wonderlijk geval van luchttrappelen met vleugels. Pas als Luc Zeebroek de boterham op de vensterbank legt, vliegt ze ermee weg, en na een zeer esthetische duikvlucht - uiterst beheerst uit de lucht vallen - verorbert ze haar dagelijks brood op het strand, waar ze met de afgunst van soortgenoten moet afrekenen.
'Ze kunnen prachtig vliegen, die meeuwen, maar waar dient het voor?' vraagt Luc Zeebroek zich hardop af. Hij lijkt het treurig te vinden dat die vogels onder het kunstvliegen maar op één ding uit zijn: zien of er wat te snaaien valt.





























![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)


0 reacties
reageer ookReageer ook