
'Hoe lang al?', roep ik naar mijn vrouw. Ik heb de kracht niet meer om mijn stuur los te laten en op de knopjes van mijn fietscomputer te duwen. 'Eén uur eenenvijftig!' Shit. Nog negen minuten. Ik haal het niet binnen twee uur. Het is nog een kilometer of twee, want ik zit pas ter hoogte van het monument van Tom Simpson. Het ziet er niet uit: rond het marmeren zuiltje ligt een berg fietsafval - tubes, petjes, drinkbussen. Een eerbetoon aan de gestorven wielerheld? Mijn gat! Een snelle manier om van je vuil af te raken, ja.
"'Stop met denken. Trap. Adem. Trap. Adem'"
Ik kraak. Ik haal nog zeven, acht kilometer per uur. Een wándelaar kan me bijhouden. Dit is het moment dat ik naar een spuit verlang: epo, een heel klein beetje maar. Alles doet nu pijn. Ik probeer me in te beelden me in dat ik Lance Armstrong ben. Dat ik net zo makkelijk met de pedalen speel als hij. Maar: Armstrong won hier nooit. En dat, zeggen de geruchten, is één van de redenen waarom hij dit jaar zo graag de Tour wou rijden: hij wil winnen op de Ventoux. De Texaan, rancuneus en eergierig, is nog altijd kwaad op wijlen Marco Pantani. Die kreeg in de Tour van 2000 van The Boss de etappezege cadeau, maar zei achteraf van niet: 'Ik was gewoon de beste klimmer', reageerde Pantani boos, en zei vervolgens dat Armstrong hem had uitgelachen tijdens de klim: 'Più veloce, sneller, riep Armstrong me toe.' Armstrong zei, in zijn versie: 'Tu vince, jij wint.'
Over die dag, 13 juli 2000, schreef Lance Armstrong in zijn boek 'Door de pijngrens': 'Sindsdien is me vaak gevraagd of ik had kunnen winnen, als ik dat had gewild. Het antwoord is ja. Ik dacht dat Pantani een gentleman was, maar dat was hij niet. In plaats van mijn gebaar te accepteren als eerbewijs aan een groot klimmer, verklaarde hij dat ik die dag niet de sterkste renner was. Ik was beledigd en we begonnen een vete die duurde zolang Pantani aan de Tour deelnam.'
De gedachte helpt niet: ik bén Armstrong niet. Ik hoor niet thuis op deze desolate berg. Maar ik wil niet meer opgeven. Daarvoor ben ik al te ver gekomen. 'Allez-y! Allez-y! Encore un kilomètre!' Er staat een fotograaf langs de kant. Ik kruip hem voorbij en hij stopt me een kaartje toe. Ik pak het aan, verlies bijna mijn evenwicht en stop het in mijn achterzakje. Wanneer ik twee dagen later naar de man z'n website surf en mijn eigen portret op het scherm zie, schrik ik: lijkbleek, holle ogen, scheve schouders, mijn mond verwrongen van pijn.
Daar is de top. Nog honderd meter. Het regent hard. Straaltjes ijzig water lopen langs mijn haar in mijn truitje en zo over mijn rug. Toch damp ik als een racepaard. Nog één bocht. Een steile bocht. Ik pers er nog een spurtje uit. Nog vijftig meter. Mijn hart bonkt bijna uit mijn borstkas. Mijn dijen verkrampen. Maar mijn knie doet geen pijn meer!
Lees het volledige artikel vanaf maandag 20 juli in Humo 3594.






























![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)


0 reacties
reageer ookReageer ook