Remco Campert: 'Denken aan België'

, door (rc)

Denken aan België

Er zat een dichtregel in mijn hoofd, maar hij wilde er niet uit. Dus ging ik er zelf maar uit. Ik deed wat boodschappen in de supermarkt. De zon scheen. Ik ging zitten op een betonnen rand van één van de bloemenperkjes die zich op het plein buiten de supermarkt bevinden. Een paar weken geleden bloeiden er nog viooltjes, nu waren het tulpen. Ik keek rond. Links aan het einde van de straat zag ik het Concertgebouw, rechts een bank van Zalm. Recht tegenover me aan de overkant was een boekwinkel. Mensen, trams en vrachtwagens passeerden.

Ik zat in het volle leven. Als ik nu zou sterven, dacht ik, langzaam omverzakken van die betonnen rand, bloeiende tulpen achter mijn rug, zou ik sterven als een gelukkig mens, midden in het voortgaande leven. Mijn toekomst is de dood, dichterbij dan ooit, maar vandaag nog niet.

Als ik de adem en de bezetenheid van de poëzie weer wil voelen, sla ik vaak het werk van Paul van Ostaijen op, één van mijn literaire helden, jonggestorven. Uit ‘Bezette stad’ (Bert Bakker, 1973) neem ik het volgende tot God gerichte gedicht over:

Om dit Humo-artikel verder te kunnen lezen,
heeft u een abonnement nodig:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven