Brand in het crematorium en andere verassende verhalen

, door (jh)

crematorium

'De as van onze zoon verdween grotendeels in de grasmaaier'

In 1984 was het nieuwe crematorium in Wilrijk een jaar open en hield men een opendeurdag voor de omwonenden. Als freelancer zag ik daar een stuk in, dus ik schreef me in. Tweeëndertig jaar later zie ik het nog voor me. De kleine groep die naar binnen schuifelde en al meteen de eerste halfluide opmerking: ‘Amai, da’s hier lekker warm.’ Eén vrouw trok zelfs haar schoen uit, wreef met een kousenvoet over de tegels en opperde: ‘’t Is zeker vloerverwarming?’ De wereld van de dood en de lijkverbranding bleek ineens op een vrolijk bunsenbrandertje van een schoolklas te zijn beland.

Na de aula bezochten we de ovenruimtes, waar we in de koude vuurmond mochten kijken. In mijn rug hoorde ik zeggen: ‘Ik denk niet dat er hier wafels worden gebakken!’ Een andere buurvrouw zei dat ze nog altijd moest wennen aan de aanblik van rookpluimen vanuit haar keukenraam: ‘Elke keer denk ik: allee, daar gaat er weer ene.’ Ik was licht verbouwereerd over hoe die omwonenden ongedwongen omgingen met de nabije dood.  De man die ons rondleidde, deelde die onbevangenheid. ‘Nu komen we aan de schatkamer,’ zei hij, en hij trok een lade open met daarin de metaalresten van een weekje ovenactiviteit: stukken heup, stukken gebit, brilmonturen, sleutels en ook twee haken van een snelbinder. Die snelbinder fascineerde me. Had die afgestorvene die snelbinder nog op zak in zijn doodskostuum? Of was iemand met fietselastieken vastgebonden geweest in zijn kist?

Dikke doden

Dat was m’n eerste fait divers en er zijn er nog gevolgd... Zoals dit knipsel uit juni ’86 met de titel ‘Brand in... krematorium’. De drie ironische puntjes stonden in De Morgen. De redacteur had het over een ‘niet gepland brandje’ en dat het houten dakrooster vuur had gevat ‘door oververhitting van de ovens’. Ook in 2006 was er een ‘brandje’ in het crematorium van Lochristi en in Amsterdam was er een ‘bizarre brand’ in crematorium Nieuwe Noorder. Volgens de brandweer vatte een kist die ‘half uit de oven was blijven steken’ vlam. De brandweer kwam ter plaatse en heeft de kist ‘in de oven helpen duwen’. Er waren geen nabestaanden aanwezig. In Doetinchem waren 150 rouwenden aanwezig toen er brand uitbrak omdat de deur van de oven niet goed dichtzat. ‘Hierdoor sloegen tijdens de crematie ineens vlammen uit de oven en het hele gebouw kwam vol rook te staan. De 150 rouwenden werden geëvacueerd.’

Ovens en ovendeuren moeten natuurlijk groot genoeg zijn om elke kist te verwerken, maar hier stelt zich een modern probleem. Wereldwijd worden mensen steeds dikker en dus moeten crematoria ook ‘XL-ovens’ in gebruik nemen.

'Zwaarlijvigen vormen een brandrisico voor crematoria'

Tot een jaar of tien geleden was een gemiddelde doodskist 50 centimeter breed, maar nu zijn kisten van 1 meter breed geen uitzondering meer. En in Nederland heeft men nu ook al ovens van 2,40 meter in plaats van 2,15 meter, omdat onze voedzame voeding ons ook lánger maakt.

Dat extra grote ovens stilaan een noodzaak zijn, bleek in het Henegouwse Frasnes. Daar raakte de kist van een zwaarlijvige niet in de oven, maar dat werd pas vastgesteld ‘toen de kist al in de oven zat’. Het ovenluik kon niet dicht, maar de kist was al in brand geschoten. Er zat niets anders op ‘dan de kist in allerijl uit de oven te halen en te doven. Wat uiterst pijnlijk was voor de treurende familie die erop stond te kijken’.

In 2007 vloog een crematorium in Salt Lake City in brand. Dat gebeurde bij de crematie van een man van 300 kilo. Hetzelfde gebeurde in 2014 in Richmond, Virginia met de crematie van een 360 kilo zware man. In beide gevallen vatte het dak vuur door oververhitting: de vetmassa in het lichaam dreef de temperatuur té hoog op in korte tijd. In Straatsburg ontstond zelfs brand bij de crematie van een lijk van 130 kilo.

In de VS worden nu bijkomende kosten aangerekend voor zwaarlijvige doden: tot 150 kilo geldt de standaardprijs, daarboven betaalt de familie 1 euro per bijkomende halve kilo. Crematoria riskeren dus brand, maar vroeger vond er ook weleens een ontploffing plaats. In juni 1986 ontplofte een lijk in een Londense oven ‘omdat een dokter vergeten was de pacemaker weg te halen’. Zo’n pacemaker van de eerste generatie kon naar verluidt een volledige oven vernietigen, maar bij de nieuwste generatie hoor je niks meer als ze ontploffen. Bij Vlaams decreet moeten pacemakers die vlak onder de huid zitten trouwens door een dokter of de begrafenisondernemer verwijderd worden voor het kisten.

Goudvondsten

Op de opendeurdag in Wilrijk zag ik die lade met achtergebleven metalen. Uit knipsels blijkt dat die metaalresten een serieuze omvang hebben aangenomen, én dat ze geld opbrengen. Zo vond het crematorium Uitzicht in Kortrijk in de voorbije vijf jaar 297 kilogram roestvrij staal in z’n oven, plus 343 kilogram titaan, dat gebruikt wordt in sleutels, horloges en prothesen. Men trof ook 1,13 kilo goud, 969 gram palladium of witgoud, 692 gram zilver, en 65 gram platina aan. Meestal restanten van juwelen, tandvullingen of onderdelen van prothesen.

Alle (edel)metalen van de Vlaamse crematoria worden opgehaald door één Nederlands bedrijf: OrthoMetals. Dat recyclagebedrijf betaalt voor die metalen, want ze worden gerecupereerd in de auto- en de vliegtuigindustrie. Dat is dus ook het leven na de dood: meedraaien in een motorklep of zelfs meevliegen in een vliegtuigvleugel!

Goud en zilver wordt opnieuw gesmolten en aan juweliers verkocht. De jaarlijkse opbrengst van alle (edel)metalen van de Vlaamse crematoria bedraagt 300.000 euro, waarbij wordt benadrukt dat het ‘geen lijkenpikkerij’ is. De familie kan immers aan de begrafenisondernemer vragen dat er geen juwelen meegaan in de kist. Ook wordt het geld dat de crematoria daarmee verdienen, overgemaakt aan goede doelen.

Ik vond één bericht over échte lijkenpikkers. In Hamburg hadden drie medewerkers van een crematorium in 2005 en 2006 ‘een lucratief handeltje’ opgezet met goud dat in de asresten overbleef. Ze bleken ook ‘hardhandig geplunderd’ te hebben: kisten werden opengebroken en zo’n zeshonderd lijken werden ontdaan van gouden tanden en sieraden.

Warmterecuperatie

Ook brilmonturen, horloges en muntstukken blijven achter in de oven. En soms de vergeten hamer van de begrafenisondernemer. De directeur van het Kortrijkse crematorium zag soms ook een kurkentrekker of flesopener opduiken. Bourgondische twijfel allicht: stél dat er in tegenspraak met alle wandspreuken toch bier is in de hemel?!

Dezelfde directeur kreeg van nabestaanden ook al de vraag of ze na verbranding de prothese van de overledene mochten hebben. Zijn antwoord was telkens nee: ‘Want we willen geen familieruzies over wie de knie van oma mag hebben.’

Naast (edel)metalen is er nog iets dat gerecupereerd wordt: warmte. In 2008 las ik een artikel waarbij de directie van een crematorium het te gevoelig vond om warmterecuperatie in te voeren. Zij kenden ‘een crematorium dat het idee had om de vrijgekomen hitte te hergebruiken om gebouwen te verwarmen. Tijdens de dienst van overledene X werd dan bij wijze van spreken gestookt met de energie die vrijkwam bij de crematie van overledene Y. Hoe groen dat ook was, dat recyclageproject zorgde voor heel wat verontwaardiging bij de klanten’.

Dat de gemoederen op dat vlak tegenwoordig minder verhit zijn, bleek uit artikels van de voorbije vijf jaar. Zowel in het Vlaams-Brabantse crematorium Hofheide (Nieuwrode) als in Wilrijk, Turnhout en Sint-Niklaas wordt ‘een deel van de vrijgekomen warmte’ gerecupereerd voor de centrale verwarming van de andere gebouwen, en daartoe behoren de aula’s en de afscheidsruimtes. Een Zweeds crematorium levert sinds 2010 ook ‘restwarmte’ aan woningen in de buurt.

Hondendrollen

Ik wens ook een crematie, maar met de verstrooiing op de strooiweide heb ik een probleem. Vaak is het geen zwierig strooien maar een dof gazon-injecteren. Telkens weer zie ik hoe de cilinder benepen dicht bij de grasmat wordt gehouden, allicht vanuit de heilige schrik dat de minste tegenwind de afgestorvene op de blinkende schoenpunten van de strooier kan doen belanden. 
 Desondanks is cremeren en verstrooien populair in ons land. In België werden 63.500 crematies uitgevoerd in 2015, bijna 42.000 daarvan in het Vlaamse Gewest. Een derde van alle Vlaamse as wordt verstrooid op een strooiweide, de rest gaat naar columbaria, urnenvelden of wordt meegenomen ‘naar huis’.

Dat die strooiweide niet altijd het respect krijgt dat ze verdient, blijkt al uit een lezersbrief in 1985 waarin de schrijver zijn ongenoegen uit over het feit dat ‘jeugdig schorem de kans krijgt de hond (dobermannpincher) uit te laten’ op de strooiweide van het Antwerpse Schoonselhof. Ook in volgende jaren blijven honden her en der opduiken. In 2013 waren er in Brakel drollen gevonden op de graven en op de strooiweide en werden GAS-boetes in het vooruitzicht gesteld. Ook in Bree (2008) en in Langemark (2009) moesten verbodsborden voor honden worden geplaatst.

Dat dieren op strooiweiden en kerkhoven afkomen, is al langer een probleem. In 1996 meldde De Morgen een al jaren durende konijnenplaag op het kerkhof van Ledeberg. Er zaten naar schatting ‘duizend konijnen’ die alle bloemstukken kapot vraten: ‘Alleen van plastic bloemen blijven ze af.’ De fret die werd losgelaten, kwam nooit meer terug. De jagers die werden ingezet ‘knalden geregeld stukken uit een grafsteen’.

Redelijk apart was de toestand in Affligem. Daar moest het gemeentebestuur in 1998 ‘hard optreden’ tegen een boer die zijn ganzen, geiten, honden, kippen en schapen ongestoord liet rondwandelen op het kerkhof van de deelgemeente Teralfene, een toestand die ‘al jaren aanhield’. Ook daar werden sierplanten en bloemstukken aangevreten en bleven ‘onwelriekende drollen’ achter op de strooiweide en de graven.

Doorgaans moeten toezichters van strooiweiden alleen maar uitkijken voor honden, konijnenpijpen en molshopen. Sinds afgelopen zomer zijn daar de Pokémon-dieren en hun jagers bijgekomen. Onder andere in Beerse en Herentals werd de Pokémon-jagers gevraagd om niet langer rond te hangen ‘omdat ze de rust verstoorden’. Ook de Commonwealth War Graves Commission riep op om niet langer Pokémons te jagen op de soldatenkerkhoven in de Westhoek; er bleken zelfs Pokémons te vinden op de Menenpoort in Ieper.

De rust van begraafplaatsen trekt al langer jeugdigen aan. In 2001 schrijft Het Laatste Nieuws dat het ‘klachten regent’ over de begraafplaats in Liedekerke: ‘Zodra de bewakers weg zijn, laveren jonge kinderen met hun fietsen tussen de graven en crossen ze over de strooiweide’. In Wevelgem grenst de strooiweide aan een vijver en daar moest de politie in 2008 tussenkomen om ‘zwemmers’ te berispen, en ook ‘enkelingen die een picknick of barbecue hielden’.

Het begrip strooiweide kreeg wel een erg slordige betekenis in Tollembeek (2009). Daar kwamen bezoekers zwerfafval tegen: ‘Telkens mijn vrouw en ik daar komen, moeten wij de vele blikjes, flesjes, lege chipszakjes en andere rommel opkuisen.’

STROOIDIENSTEN

Ronduit pijnlijk wordt het wanneer de openbare diensten zelf slordig omspringen met de laatste rustplaats. Dat mocht een familie uit Terhagen (Rumst) ervaren in 2001. Toen ze een halfuur na de asverstrooiing op de weide terugkwamen om een foto te nemen van de bloemstukken en kransen, waren die ornamenten ‘aan de kant gegooid’ en werd het gras afgereden door een gemeentewerkman (‘de as van onze zoon verdween grotendeels in de grasmaaier’). De burgemeester bood zijn excuses aan en ging zijn technische dienst ‘aanspreken’.

In Brugge moest de grasmat van de strooiweide in 2015 vervangen worden. Families kregen de belofte dat grasstroken met recent verstrooide en dus zichtbare as onaangeroerd zou blijven, maar dat gebeurde niet. De hele weide werd afgegraven en het gras werd ‘in een hoop op de parking gesmeten’. Daaronder ook as die twee weken eerder was verstrooid.

Soms wordt het gras amper onderhouden. In Hoegaarden bracht de oppositie het op de gemeenteraad. Ze vond het van weinig respect getuigen dat het gras ‘tot een halve meter hoog groeit’ op de strooiweide en ze eiste dat het gras ‘om de twee weken wordt afgereden’. Ook in Ordingen (Sint-Truiden) bleek de strooiweide in 2002 onverzorgd ‘en vol onkruid te staan’. In Pulle (Zandhoven) werd een man verstrooid in 1996. In 2002 kloeg de weduwe in Gazet Van Antwerpen dat haar man ‘al jaren tussen het onkruid lag’. Ze was ook ontstemd omdat de gemeente niet reageerde op haar klachten. ‘De ene keer wilden ze niet omspitten omdat het te delicaat was voor wie zopas was verstrooid. De andere keer susten ze mij door te zeggen dat ze in het voorjaar wel onkruidverdelger zouden strooien. Alsof dát niet delicaat is!’

In Tienen en Hoegaarden (2013) vonden nabestaanden dat er ‘respectloos’ werd verstrooid door het gemeentepersoneel: ‘Die man droeg een oranje overall, een fluojasje en laarzen. Heel de familie sprak er schande over.’ De burgemeester van Hoegaarden verdedigde zich door te zeggen dat Hoegaarden ‘hoogstens vijf verstrooiingen heeft per jaar’ en dat het onverantwoord was om daarvoor ‘kostuums aan te kopen’. Vandaar dat de gemeente ‘overgeschakeld was op veiligheidskledij’. In buurgemeentes bleek oranje en fluo niet de dresscode te zijn, daar trekt het personeel ‘zwarte stofjassen’ aan. Volgens de Nationale Federatie van de Begrafenisondernemers is de ongepaste kledij en het ‘schrappen van vaste grafdelvers’ ook in andere gemeentes merkbaar en is het te wijten aan ‘besparingswoede’. De federatie hoorde zelfs van strooiweidepersoneel ‘dat zijn kostuum niet meer mag laten wassen uit bezuiniging, waardoor de as soms nog een halfjaar op hun kleren hangt’. In veel gemeentes heeft de begrafenisondernemer intussen het strooien op zich genomen.

Bij die ondernemers zijn echter ook exemplaren die op botte wijze besparen. In 2015 was een Limburgse man niet ingegaan op het voorstel van de ondernemer om de as van zijn echtgenote in een juweel te verwerken. Hij zou het dan wel ‘in een gewoon potje’ stoppen en inderdaad, de man kreeg de as mee ‘in een gebruikt potje Nescafé’. De Vlaamse Autonome Raad voor het Uitvaartwezen had het over ‘een ernstige beroepsfout’.

Wie een put graaft

Als u zich nu minder makkelijk voelt bij verbranding en verstrooiing, weet dan dat begraven ook risico’s inhoudt, en zelfs levensgevaarlijk kan zijn. In 2002 kwam een 63-jarige Italiaan om het leven toen hij z’n in aanbouw zijnde familiegrafkelder wilde bezoeken. De man viel, kwam met z’n hoofd op een marmertrede terecht en was op slag dood. In Finland stierf een vrouw bij een kerkhofbezoek waar ze onder een 200 kilogram zware zerk terechtkwam en in Noord-Ierland raakte een man fataal bedolven in het graf dat ze voor z’n broer aan het graven waren.

Soms wordt iemand ook begraven op een plaats die géén begraafplaats is. Zo kreeg een 46-jarige vrouw de eer om als eerste te worden begraven op het nieuwe kerkhof van Mol-Wezel. ‘Die eer kreeg een fikse deuk toen bleek dat de nabestaanden zich een weg moesten banen tussen meters hoog onkruid en storthuisvuil.’ Bleek dat de gemeenteambtenaar zich vooraf niet had vergewist van het terrein. ‘Het kerkhof zou daar pas volgend jaar komen.’ De vrouw werd opgegraven en overgebracht naar de oude begraafplaats.

Ook het vervoer naar het graf verloopt niet altijd vlekkeloos.

In januari 1979 was er in Erpe-Mere zoveel ijzel op de weg dat chauffeur en begeleider besloten om uit te stappen en ‘een geïmproviseerde slee’ te maken van de lijkkist en draagberrie. ‘Eén keer schoof het tweetal samen met de overledene de gracht in.’

In Amsterdam (2003) verloor de lijkwagen de kist mét overledene in een bochtige straat. De bestuurder had niks gemerkt en vervolgde zijn weg. ‘De chauffeur van een stadsbus wilde de kist al aan boord nemen’, maar de begrafenisonderneming was toch tijdig ter plaatse om de kist verder te voeren. De bestuurder werd ontslagen omdat hij te snel gereden had.

In 2007 werd een lijkwagen geflitst in de bebouwde kom van Landen. De wagen reed 88 in plaats van 50. Volgens Het Laatste Nieuws ‘maakte de passagier achterin naar verluidt geen bezwaar’.

Soms móét er verplicht snel worden gereden. Dat was het geval in Clavering (Essex) waar de overledene – een fan van snelle wagens – het bij testament had vastgelegd dat er tegen 110 per uur naar het kerkhof gereden moest worden. ‘De begrafenisondernemer moest zich evenwel verontschuldigen bij de rouwende familieleden: gezien de vele bochten had hij hoogstens 107 kilometer gehaald.’

Humo 3973/43 25/10/2016

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 25 oktober 2016

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven