Ex-oostfronter Jan Fossey slaat terug: 'Syriëstrijders zijn moordenaars, wij waren soldaten'

, door (ja)

Oostfronter Jan Fossey 1200
© Jelle Vermeersch

'In het begin denk je: 'Die kerel aan de overkant heeft ook een vader en moeder.' Maar dat verdwijnt snel aan het front'

Voor ik zijn rijtjeshuis in Borgerhout kan betreden, duikt Jan Fossey naar de vloer. Met één flukse handbeweging raapt hij een reclamefolder op die uit de brievenbus is gevallen. Pas daarna nodigt hij me uit om binnen te komen. ‘Ik wil niet dat u uitglijdt,’ zegt hij zonder een spoor van spot.

91 wordt Fossey aan het eind van dit jaar, maar de pezige man met de priemende ogen verkeert in blakende vorm. Alleen zijn knoken zijn niks meer waard, vertelt hij. Elke ochtend komt een verpleegster hem thuis wassen en insmeren, maar zijn geest hoeft niet gemasseerd, die is nog altijd helder.

Jan Fossey «Mijn ouders waren allebei slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Mijn moeder, die onderwijzeres was, is gestraft omdat ze een groep jonge vrouwen had geleid die voor vrede en Vlaanderen streed: zeven jaar beroepsverbod heeft ze gekregen. Mijn vader is gestraft omdat hij had geijverd voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden van Vlaamse burgergevangenen in Duitse werkkampen. Hij is aangehouden en voor het assisenhof veroordeeld tot tien jaar opsluiting. Een straf die later is teruggebracht naar zeven jaar.

»Na de oorlog organiseerde mijn moeder met andere vrouwen bezoeken aan gevangenen. Ook in Leuven-Centraal, waar mijn vader vastzat. Er werd wat gekout, de mannen aan de ene kant van de tafel, de vrouwen aan de andere kant. Tot mijn vader op een keer tegen mijn moeder zei: ‘Zeg, wanneer kom je eens voor mij alleen?’

»Ze hebben zich in Leuven-Centraal verloofd. (Zwijgt) Wat kan er dan later van de kinderen komen?»

HUMO U hebt het flaminganten-gen meegekregen?

Fossey «Ik heb van jongs af aan Guldensporen- en zangfeesten meegemaakt, ja. Maar vooral het pacifisme was belangrijk bij ons thuis: ‘Nooit meer oorlog.’ Op de kermis mocht ik van mijn ouders niet naar het schietkraam. En enkele jaren later ga ik als vrijwilliger naar het front. Hoe rijm je dat?

»Mijn vader kon in de Tweede Wereldoorlog, dankzij zijn contacten met dokter August Borms (Vlaams-nationalistische voorman en collaborateur, red.) en René Lagrou (eerste leider van de Algemene SS-Vlaanderen, red.), gaan werken op de commissie voor rechts- en eerherstel, een instantie die mensen vergoedde voor de schade die ze hadden geleden door hun betrekkingen met de Duitsers tijdens de Eerste Wereld-oorlog. Zo verzeil je in bepaalde kringen. Je gaat als jongetje mee naar de Malpertuus, het Vlaamse café tegenover de Antwerpse opera, je ziet daar de jongens van het Algemeen Vlaams-Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) in uniform rondlopen. Je vraagt: ‘Mag ik daar ook naartoe?’ Dat mag. Het AVNJ wordt de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen, je uniform verschiet van kleur, van grijs naar groen, je wordt almaar meer Duitsgezind, en voor je het weet, maak je deel uit van de Hitlerjeugd Vlaanderen.

Om dit Humo-artikel verder te kunnen lezen,
heeft u een abonnement nodig:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven