Hoe Sonja na haar verkrachting de draad opnam: 'Losse haren: leven na verkrachting'

, door (hvt)

Sonja Graansma 1200
© Vincent Janink

'Toen ik daar lag, raasde het door mijn hoofd: wat zijn mijn kansen? Het was laat, er was niemand op straat, en hij had dat mes'

‘Ik heb getwijfeld over die details,’ zegt Sonja Graansma. ‘Het ís heel intiem, en mijn ouders en broertje zouden het ook lezen.’

Sonja Graansma «Maar uiteindelijk doe ik dit voor andere slachtoffers. Misschien halen zij er steun uit: ‘Hé, bij mij is het ook zo gegaan.’

»Dat ervoer ik zelf toen ik het boek van de Amerikaanse Nancy Venable Raine las. Ik herkende de manier waarop ze uit haar lichaam trad tijdens de verkrachting: terwijl hij daar op me lag en zijn ding deed, had ik ook het gevoel dat ik zweefde en mezelf in het gras zag liggen. Later legde een psycholoog me uit dat dat een normaal verdedigingsmechanisme van je lichaam is, om het allemaal niet bewust te hoeven meemaken.»

HUMO Het gebeurde toen je ’s nachts naar huis fietste. Hij sprong opeens voor je fiets, haalde een mes tevoorschijn en dwong je mee te lopen.

Graansma «Ik voelde dat het niet de eerste keer was dat hij zoiets deed. Hij was niet nerveus en kwam heel berekenend over. Ik zei nog dat ik ongesteld was, maar dat maakte hem niks uit.

»In het boek van Raine las ik hoeveel woede er in haar dader zat, maar bij mij was dat niet zo: hij was niet agressief, sleurde me niet ruw mee. Hij stelde me vragen – waar ik op school zat en of ik rookte. Het leek wel een soort rollenspel. Hij zei zelfs: ‘Doe maar alsof je mijn vriendinnetje bent.’ Hij zoende me en sloeg z’n arm om me heen.»

HUMO Alsof hij je wilde geruststellen?

Graansma «Precies. Later, bij het eerste politieverhoor, verklaarde hij dat hij dacht dat ik het wel leuk vond. Vreselijk! Dat raakte me echt, omdat het leek alsof ik zelf ook schuld trof: ‘Had ik dan moeten vechten? Ik had toch duidelijk gezegd dat ik niet wilde, dat ik een vriend had, dat ik naar huis wilde?’

»Net als iedereen dacht ik vroeger: ‘Als zoiets me ooit overkomt, dan ga ik vechten of schreeuwen.’ Maar toen ik daar lag, raasde het door mijn hoofd: wat zijn mijn kansen? Het was laat, er was niemand op straat, het was afgelegen en hij had dat mes. ‘Als ik hem laat doen,’ dacht ik, ‘heb ik misschien nog een kans.’ Ik werkte zo goed mogelijk mee. Alles om ervoor te zorgen dat hij geen gekke dingen zou doen. Want er ging wel een dreiging van hem uit: ‘Als je niet doet wat ik zeg, ga ik dit mes gebruiken.’ Ik dacht aan de zaak van Marianne Vaatstra, die een paar jaar voordien verkracht en vermoord was teruggevonden. Mijn dader droeg geen masker, alleen een zwart petje. Ik zou hem later kunnen beschrijven bij de politie. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat hij me levend zou laten gaan.»

Om dit Humo-artikel verder te kunnen lezen,
heeft u een abonnement nodig:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven