'Ingegooid raam, dreigtelefoons, inbraken: ik weet hoe onveilig slachtoffers van vrouwenhandel zich voelen.' 30 jaar Payoke: de eenzame strijd van Patsy Sörensen

, door (ab)

'Laatst vingen we een 14-jarig Nigeriaans meisje op dat aan het Sint-Jansplein tippelde. Mannen konden haar hebben voor 5 euro'

Er was een tijd dat Patsy Sörensen (64) niet uit het nieuws weg te branden was. De tengere Antwerpse trotseerde vrouwenhandelaars, portierkoningen en maffiabazen. Schopte tegen de schenen van het gerecht en de politiek. Trok zich het lot aan van honderden prostituees die in de ijzeren greep van criminele bendes zaten. Ze kreeg de koning bij haar thuis op de thee: de diepgelovige Boudewijn kon niet verdragen dat vrouwen in zijn land als speelgoed werden verhandeld. Ze opende het eerste opvangtehuis voor slachtoffers van mensenhandel. Sleepte magistraten mee het Antwerpse nachtleven in om hen het zweet van Braziliaanse karakterdanseressen in cabarets te laten ruiken, om hun de Afrikaanse vrouwen onder de rode neonlampen te laten zien, en de Oost-Europese animeermeisjes in broeierige bars, champagne drinkend met hun klanten.

Gangsters stonden haar naar het leven. Ze ging met een kogelvrij vest de politiek in, werd schepen in Antwerpen en schopte het, ondanks alle weerzin die ze bij het establishment bleef oproepen, tot in het Europees Parlement. Daar schreef ze de blauwdruk voor een Europees beschermingsstatuut voor slachtoffers van mensenhandel, dat ze er nog net kon doorduwen vóór haar mandaat afliep. En toen werd het stil.

HUMO Het lijkt alsof je je de jongste jaren uit het openbare leven hebt teruggetrokken. Of is dat maar een indruk?

Patsy Sörensen «Dat je minder van mij hoorde, kwam omdat ik heel vaak in het buitenland heb gewerkt. Toen mijn mandaat als Europarlementslid afliep, ben ik door verschillende buitenlandse overheden en organisaties gevraagd om in andere landen opvangtehuizen op te starten. Omdat Payoke goed functioneerde en de wetgeving in België voor de bestrijding van mensenhandel op punt stond, had ik de handen vrij. Ik heb gewerkt in Irak, China, Afghanistan, Albanië, Nigeria, Cuba… In Syrië heb ik twee opvangtehuizen opgericht voor buitenlandse vrouwen, vooral uit Ethiopië en de Filipijnen, die het slachtoffer waren van vrouwenhandel. Eén in Damascus en één in Aleppo – dat intussen helaas is platgebombardeerd, want het lag in rebellengebied.»

HUMO Wie vroeg je om in Syrië te gaan werken? Was de oorlog al begonnen?

Sörensen «In 2007 sprak ik over mensenhandel en migratie op een vergadering van Frontex (het Europese agentschap dat de buitengrenzen van de EU bewaakt, red.). In de zaal stond plots een man op die naar mij wees: ‘U hebben we nodig in Syrië. U durft.’ Dat was de Syrische ambassadeur van Europese zaken. Syrië kreeg op dat ogenblik geld van Europa voor de bouw van opvangtehuizen, maar miste de ervaring om zoiets op te starten.

'Dertig jaar geleden geloofde niemand in het bestaan van mensenhandel: het waren 'maar' hoeren die dat soort verhaaltjes vertelden'

»Toen ik twee jaar later in Syrië was om het personeel voor de tehuizen op te leiden, voelde je van alles broeien. De veiligheidsdiensten waren bijvoorbeeld op alle vormingssessies aanwezig en luisterden mee. Maar we hoopten toen nog dat het allemaal goed zou komen, omdat er openheid leek te zijn. Ik werkte mee aan de wetgeving over mensenhandel en een beschermingsstatuut voor slachtoffers, dat de volledige steun van president Assad had, en vooral van zijn vrouw.

»Pas later merkte ik dat die openheid maar schijn was. Syrië is een prachtig land, maar onder die bovenlaag begon ik de lelijke kanten van het regime te ontdekken: een diep wantrouwen dat bij iedereen leeft, en alomtegenwoordige corruptie. En toen kreeg ik natuurlijk problemen.»

Dit artikel volledig gratis lezen?

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven