Wild en stout in Borgerhout: waarom de hangjongeren de politie aanvallen

, door (rs)

'De straatjochies houden de agenten bezig, zodat die geen tijd heeft om de maffia aan te pakken'

Het fenomeen is nochtans niet nieuw. In de jaren 70 maakte antropoloog Johan Leman, later directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding en nu de voorzitter van het Regionaal Integratiecentrum vzw Foyer in Sint-Jans-Molenbeek, al een studie van een getto in het hart van Brussel: de buurt rond het Lemmensplein, in de Anderlechtse wijk Kuregem.

Johan Leman «Die wijk, een arme omgeving zonder veel uitzicht op verbetering, was volledig in de greep van de Siciliaanse maffia. Die opereerde vanuit twee cafés. Aan de ingang van de wijk had je het café Pompei, het Checkpoint Charlie van de buurt. Daar konden ze iedereen in de gaten houden die de wijk binnenkwam. En aan het Lemmensplein had je café Cardazzone, hun hoofdkwartier. Daar hielden de maffiosi zich bezig met drugs- en wapenhandel en prostitutie. Als antropoloog had ik iemand nodig die me in de buurt kon introduceren, anders hadden ze meteen gedacht dat ik een flik of een informant was. Ik had een Siciliaanse pastoor als gids, dus voelde ik me min of meer beschermd. Italiaanse criminelen hadden toen nog veel ontzag voor katholieke geestelijken. Als de pastoor langskwam, vielen de zware jongens prompt op hun knieën en smeekten ze om zijn zegen.

Om dit Humo-artikel verder te kunnen lezen,
heeft u een abonnement nodig:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven