Op bezoek bij de vrouw die terrorist Abdelhamid Abaaoud en zijn nichtje Hasna verlinkte

, door (hvt)

jihad 1200

'Als je iets goeds doet, zeggen de Belgen dat je een Belg bent en de Marokkanen dat je een Marokkaan bent. Maar doe je iets slechts, dan zeggen de Belgen dat je een Marokkaan bent en de Marokkanen dat je een Belg bent'

Op vrijdag 13 november (2015, red.) deed een reeks aanslagen Parijs en de noordelijke buitenwijk Saint-Denis op hun grondvesten schudden. Elf mannen, van wie sommigen in Syrië hadden gevochten en twee uit Irak zich met vervalste Syrische paspoorten onder de vluchtelingenstroom naar Europa hadden begeven, pleegden aanslagen op het Stade de France, de concertzaal Bataclan en een handvol restaurants en bars, waarbij ze 130 mensen vermoordden.

De meeste aanslagplegers waren zoons van Marokkaanse migranten die in België of Frankrijk woonden en ik wilde uitvissen hoe het kwam dat ze waren geradicaliseerd. De meesten waren vanwege drugshandel en berovingen bekenden van de Franse politie. Met andere woorden: het waren kruimeldieven.

Ik was vooral geïnteresseerd in Abdelhamid Abaaoud, één van de leiders. Hij was één van de aanslagplegers die in Syrië hadden gevochten maar terug wisten te keren naar Europa, ook al werden ze door de autoriteiten gezocht. Abaaoud was opgegroeid in de Brusselse gemeente Molenbeek en was de oudste zoon van Marokkaanse immigranten. Als tiener was hij van school gestuurd, lid geworden van een plaatselijke bende en betrokken geraakt bij allerlei kleine misdrijven. Tussen 2006 en 2012 had hij een paar keer kort in de gevangenis gezeten. De laatste keer dat hij vrijkwam, was hij veranderd, vertelde zijn vader aan onderzoekers. Hij had een baard laten staan, ging niet meer met zijn vrienden uit de buurt om en beloofde zijn vader dat hij nooit meer naar de gevangenis zou gaan.

In plaats daarvan reisde hij naar Egypte om Arabisch te leren en daarna naar Syrië, vanwaaruit hij zijn vrienden thuis liet weten dat hij ‘onschuldige mensen wilde helpen’. Eind 2013 werd hij gezien in Molenbeek. De Belgische autoriteiten hielden hem in de gaten, maar een paar maanden later ging hij terug naar Syrië, naar wat hij het ‘kalifaat’ noemde. Hij nam zijn 13 jaar oude broertje mee.

Ik vroeg me af wat er gebeurd was, niet alleen met hem, maar ook binnen zijn gezin. Na de aanslagen in Parijs bracht ik een tijdje in Molenbeek door, en van de buitenkant leek het alsof Abaaoud genoeg mogelijkheden had gehad om een bestaan op te bouwen. Zijn vader had een bedrijf dat allerlei spullen uit Marokko importeerde en stond er financieel niet slecht voor. Abaaoud was naar een goede school gegaan. Maar er waren problemen in het huwelijk van zijn ouders. Abaaoud had een betere band met zijn moeder dan met zijn vader. Volgens de veiligheidsdiensten was hij gefrustreerd en boos vanwege het leven dat zijn vader leidde en door het constante geruzie thuis.

'De broeders van het kalifaat laten die varkens in het Westen zien dat moslims niet langer het slachtoffer zijn'

Bendelid

Molenbeek leek niet op de banlieues die ik in Frankrijk had bezocht. Er stonden geen grijze betonkolossen en de winkels en theehuizen deden me aan Marokko denken. Maar een Belgische freelancer voor The Washington Post, Annabell Van den Berghe, vertelde me hoe moeilijk het was om informatie te krijgen: de mensen in Molenbeek spraken niet graag met journalisten. En hoewel het er in Molenbeek niet zo troosteloos uitzag als in de banlieues, speelden er vergelijkbare problemen.

Annabell en ik togen naar een broodjeszaak, waar twee goedgebouwde mannen die er als broers uitzagen aan het werk waren. Ze hadden verschillende klanten, die elkaar allemaal schenen te kennen. Een lange man in een spijkerbroek, een trui en een donkerblauw jack keek me aan. Ik keek terug en glimlachte. Hij glimlachte terug, pakte zijn broodje en liep naar buiten. Hij zag eruit zoals ik me voorstelde dat een vriend van Abaaoud en Abdeslam eruit zou kunnen zien, met iets ongenaakbaars als van een bendelid. Mijn intuïtie zei dat ik achter hem aan moest gaan.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei ik toen ik buiten stond. ‘As’salaam aleikoem.’

Hij bleef staan en draaide zich om. ‘Wa’aleikoem as’salaam. Oui, mademoiselles?’ antwoordde hij.

Ik zei dat ik journalist was en legde uit dat ik meer over Molenbeek te weten wilde komen.

‘Dus je wilt iets vragen over degenen die de aanslagen in Parijs hebben gepleegd en wilt weten of ik ze heb gekend?’ vroeg hij in Marokkaans Arabisch.

‘Ja.’

Hij zei dat hij Abaaoud, Abdeslam en de anderen had gekend die naar Syrië waren afgereisd. ‘Weet je dat we hier meestal niet graag met journalisten praten?’ zei hij. ‘Er is pas nog een cameraploeg met stenen bekogeld. Maar omdat je van Marokkaanse komaf bent en niet voor zo’n leugenachtige tabloid werkt, kunnen we op z’n minst koffiedrinken.’

Om dit Humo-artikel verder te kunnen lezen,
heeft u een abonnement nodig:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven