Humo-dossier: Kameraad Prostaat - Deel IV

, door (wh)

pros4

‘En? Hoe is ’t geweest?’ Tientallen keren werd die vraag me de laatste dagen gesteld. Met verwachtingsvolle ogen die langzaam naar mijn kruis afdaalden. Sommigen gingen omfloerst door: ‘Heb je veel pijn gehad na je operatie?’ Anderen staken het mes dieper in de wonde: ‘Loop je nu met een pamper aan?’ (Wouter Vandenhaute). ‘Draag je een sonde? Een stoma misschien?’ (Hugo Camps). ‘Kun je nog neuken?’ (Goedele Liekens). ‘Ben je nu levenslang impotent?’ (Jean- Luc Dehaene). Nou ja, ik had er zelf om gevraagd. Wie a fluit, moet ook b toeteren. Vandaar, op algemeen verzoek, dit relaas van mijn gênante maar leerzame wedervaren.

Voor wie te laat inschakelde, nog deze reminder aan wat voorafging: bij ondergetekende wordt prostaatkanker vastgesteld. Na een zwerftocht langs Vlaanderens meest spraakmakende urologen wordt Onze Held ten slotte ontboden op de operatietafel van Dokter M., in het O**-Ziekenhuis te A., voor wat heet: een radicale laparoscopische, robotgeassisteerde verwijdering van de prostaat. Met als mogelijke complicaties: 1) totale of gedeeltelijke impotentie; 2) totale of gedeeltelijke incontinentie. En als kers op de taart: 3) het achterblijven van kankercellen in de holte van het lage bekken, waarna die cellen zich gaan uitzaaien. Wat dan weer leidt tot nabestraling (met mogelijk blijvende irritatie van de endeldarm tot gevolg) of hormonale therapie (wat vervrouwelijking, borstgroei, opvliegers en boven alles superemotionaliteit kan veroorzaken). Gevoelige zielen wordt dan ook aangeraden niet verder te lezen.

Wie enige afgunst of ergernis voelt omdat ik met mijn ellende in de boekjes te koop loop: niets houdt u tegen om morgen zelf onder het mes te gaan en hierover te berichten. Ik schrijf dit relaas niet to show off, niet uit ijdeltuiterij of zelfmedelijden. Ik schrijf het ter lering, studie en instructie van de cohorte babyboomers die straks met dezelfde diagnose als bibi zullen worden geconfronteerd. Ik schrijf het voor al de dappere, goede mannen die vijf keer per nacht uit bed moeten om te gaan wateriseren. Ik schrijf het voor hen die vanaf morgen Constant Halfstock door het leven moeten. Ik schrijf het voor de in hun diepste intimiteit getroffen heren van stand die binnenkort hun redactievergadering of hun ondernemingsraad moeten leiden met een inlegkruisje om hun pilou. Voor de permanent lekkenden, de eeuwig druppelenden, de gesondeerden en de voorgoed anaal geirriteerden. De bestraalden en de mismeesterden. Voor hen die alleen nog kunnen dromen van een beenharde erectie. Voor hen bij wie er geen leven meer is in de brouwerij. Voor de hormonaal gecastreerden, voor de mannen met borsten, voor de mannen zonder teelballen.

Voor de viagrajunkies en de Levitra- slikkers. Voor hen die niet meer kunnen penetreren zonder injectie in hun Johnson. Voor die vele tienduizenden ouwe jonge jongens, kortom, bij wie er en cours de route wat is misgelopen met hun sanitaire voorzieningen, hun pijpleidingstelsel, hun loodgieterij, hun Glockenspiel. Aan alle anderen: a splendid time is guaranteed.

1 Onze Held offert zijn zaad voor de allerlaatste keer

Zondagmiddag. Het vonnis is geveld, de aarzeling is overwonnen, het besluit is genomen: morgenochtend word ik geopereerd. Vanaf dan zal ik prostaatloos door het leven moeten. Twintigjarige dekhengsten weten niet eens wat een prostaat is. Onbekommerd vogelen ze erop los, niet beseffend dat in hun bekken een fantastische maar uiterst kwetsbare machinerie aan het werk is. Alleen een alwetende en superintelligente Schepper is in staat dergelijke topapparatuur te ontwerpen. De teelballen maken zaadcellen aan en sturen die naar de prostaat, waar ze vermengd worden met hun drager, het zaadvocht. Wie ejaculeert, doet dat vanuit de prostaat: ritmisch trekt deze jongensklier zich tijdens het hoogtepunt van het liefdesspel samen en stuwt hij het bevruchtingshongerige sperma via de urethra, de plasbuis, naar buiten. In mijn jonge jaren kon ik vanuit mijn Schaarbeekse zolderkamertje met enkele welgerichte stoten van mijn mannenpistool makkelijk een duif op de hoogste bol van het Atomium treffen.

Tegenwoordig ben ik al blij als mijn heilige vocht het plafond raakt. Maar vandaag zal dat dus de allerlaatste keer het geval zijn. Niet de allerlaatste keer dat ik klaarkom – het orgasme is immers een zaak van de hersenen. Ook niet de allerlaatste keer dat ik een stijve krijg: als Dokter M. morgen zijn werk goed doet, is er nog enige hoop op een, weze het bescheiden, verheffing van mijn liefdesdeel. Wél is het de allerlaatste keer dat ik raak zal schieten, met echt kruit en volle kogels. Het bitterzoete, lichtjes gezouten, altijd naar méér smakende jongensvocht zal nooit, echt nooit meer aan mijn lieve vriend ontspruiten. Zonder prostaat krijg je hooguit een droog orgasme. Zonder prostaat géén sperma meer. Point final. Uit schroom en respect voor mijn Allerliefste zal ik u de details van ons allerlaatste liefdesspel onthouden. Laat me volstaan met de mededeling dat het intens, krachtig en ongeremd was. Ontroerd nemen wij afscheid van onze late jeugd. Mijmerend over vroegere jaren bereiden we ons voor op de herfst en de hierop noodzakelijk volgende winter. De zomer leek eindeloos lang. Nu is het tijd voor het vallen van de bladeren. Anderen en beteren, verdomme! Mijn Allerliefste heeft met grote zorg mijn koffer gepakt. Een pyjama diende gekocht – mijn eerste, want ik sliep altijd naakt. Tandenborstel, SIS-kaart, oordopjes en oogmasker, ‘Down the Highway’ en ‘Behind the Shades’ – twee vuistdikke biografieën van Bob Dylan – en mijn laptop, tot de laatste byte gevuld met zowat alles wat de Grootmeester ooit heeft uitgebracht.

Het is de bedoeling me tijdens de lege momenten in het ziekenhuis voor de zoveelste keer volledig onder te dompelen in leven en werk van mijn geliefde bard. We stappen in de auto – zij rijdt – en ik laat ‘The Last Time’ van The Rolling Stones uit de boxen knallen: ‘Well, this could be the last time. This could be the last time. Maybe the last time, I don’t know…’ Op naar Dokter M., op naar het schavot. Morituri te salutant.

2 Onze Held ontmoet de halve man

Zondagavond. Het O**-Ziekenhuis te A. kenmerkt zich door een modernistische architectuur, een indrukwekkende inkomhal en een van zindelijkheid krakend interieur. De verpleegsters zijn er hups en dienstbaar, de dokters en chirurgen genieten er wereldfaam, en de toiletten zijn er aseptisch schoon. Om de ervaring zo intens mogelijk te maken, heb ik gekozen voor een tweepersoonskamer. De ontmoeting met een lotgenoot levert altijd dankbaar schrijfmateriaal op. Bijkomend voordeel: wie in een tweepersoonskamer verblijft, krijgt van Dokter M. geen extra honorarium aangerekend.

Het bed naast het mijne is beslapen, maar de bewoner is voorlopig afwezig. Ik trek net mijn nieuwe pyjama aan wanneer voor het eerst een verpleegster verschijnt. Ik besluit haar de West- Vlaamse Beyoncé te noemen. Ze dient me een lavement toe, met de bede de ingespoten vloeistof ‘minstens een kwartier’ op te houden. Kwestie van ‘de darmen schoon te maken’. Dokter M. wil vooral niet dat er morgen op zijn operatietafel ‘een ongelukje’ gebeurt. Op de koop toe mag ik vanaf nu tot één dag na de operatie niets meer eten of drinken. Het snijwerk hoort nuchter te geschieden.

Geen drie minuten later trekken de krampen door mijn inwendige mens. Ik ijsbeer door de kamer, lichtjes voorovergebogen en de billen tegen elkaar geperst. Voortdurend kijk ik op mijn horloge. Ik krijg kippenvel en begin te transpireren. Na nog ’ns twee minuten storm ik naar de po, ik ruk mijn pyjamabroek naar beneden en begin aan het Scherzo uit de Negende van Ludwig van. Kreten en gefluister en een ondraaglijke stank vullen het badkamertje. De wc loopt net niet over. Als het woord leeggescheten ooit vlees is geworden, dan was dat in mijn persoon, die avond, in het O**-Ziekenhuis te A.

Als ik, vanbinnen properder dan ooit, weer uit de badkamer wankel, weeg ik anderhalve kilo minder. Uit schaamte voor nog meer gezichtsverlies stuur ik mijn Allerliefste weer naar huis. Na deze vernederende kakkonade wil ik boven alles alleen zijn. Alleen met mijn miserie, alleen met wat mij morgen te wachten staat. Lang duurt mijn zelfgekozen eenzaamheid niet, want daar wordt mijn buurman al binnengereden in een rolstoel, geduwd door een als twee druppels op Cathérine Moerkerke lijkende verpleegster. Haar collega, een pittige Afrikaanse, volgt met een mobiele standaard in verchroomd metaal. Daaraan hangen baxters en twee opvangzakken, één voor de pipi en één voor de (uiteraard vloeibare) kaka, zakken met welke de patiënt via een half dozijn slangen permanent verbonden is. Met vereende krachten hijsen De Pittige en La Moerkerke mijn buurman in bed en ze trekken meteen het gordijn dicht dat de twee ledikanten van elkaar scheidt. Wat daarna gebeurt, kan ik alleen maar gissen.

Tot mij dringt gehijg en gesteun van de patiënt door, aanmoedigende woorden van De Pittige, lieve zuchten van La Moerkerke. Vervolgens hoor ik water in een opvangbekken lopen, afgewisseld met luide winden. Even later wordt de zieke terug in zijn rolstoel gehesen en glijdt het gordijn weer open. De verpleegsters verdwijnen met een knipoog en een glimlach. Buurman blijkt een halve man van een jaar of twintig te zijn: zijn benen zijn korte stompen. Opvallend groot hoofd. Hij stelt zich in uitermate beschaafd Nederlands voor als Jean-Pierre* uit Leuven en beweert al twintig keer te zijn geopereerd. Hij heeft het op achteloze wijze over ‘mijn beperking’ alsof het om een niemendal gaat. Zijn hele onderstel is vanaf de geboorte onvolgroeid. Hij is hier voor een korte observatie, morgen mag hij weer naar huis. De hele avond blijft hij vertellen, hij wil voortdurend mijn aandacht, stelt opdringerige vragen, ontbiedt doorlopend en op kordate wijze de verpleegsters en verdraagt het niet dat ik in ‘Behind the Shades’ lees of mijn hoofdtelefoon op mijn oren plaats om nog maar ’ns naar ‘Don’t Think Twice, It’s All Right’ te luisteren.

Mijn aanvankelijke irritatie verdwijnt wanneer Jean-Pierre me toefluistert dat hij ‘ook een lichte mentale beperking’ heeft. Mateloos en onstuimig stroomt mijn medelijden. Poor devil, denk ik, je bent echt niet te benijden. Afgezet tegen jouw lijden betekent mijn eigen kleine probleem helemaal niets. Wat is de zin van je vreselijke lot? Aan wie draag jij je pijn op? Aan wie je uitzichtloze misère? Maar voorwaar, je hebt het niet opgegeven. Onblusbaar is je levenswil. Respect! Vanaf dan aanhoor ik gelaten Jean-Pierres eeuwigdurende getater. We worden vrienden. Ik stap uit bed om hem wat comfortabeler in zijn rolstoel te plaatsen. Zijn romp weegt vederlicht, als die van een kind. Even later wil hij dat ik zijn zak met vloeibare stront wat hoger hang, want: ‘Mijn sonde doet pijn.’ Ik lees niet langer in ‘Down the Highway’ maar probeer hem met sick jokes en schalkse moppen wat op te monteren. Om elf uur komen De Pittige en La Moerkerke hem – ‘Eén, twee, drie!’ – in bed leggen. Dame Moerkerke heeft voor mij nog een kleine marteling in haar bevallige petto: een paar TED-kousen, één meter lange, witte, genadeloos om het been spannende martelpanty’s. Die zijn nodig om na de ingreep bloedklontervorming tegen te gaan. Met een van de Pittige geschooide Xanax tussen de tanden bereiden we ons voor op de troost van de slaap. Op een wonderlijke wijze heeft de aanwezigheid van Jean- Pierre me moed gegeven. Ik kijk minder op tegen de dag van morgen.

3 Radicale prostatectomie!

Maandag. Klokslag zes uur in de ochtend zwaait de kamerdeur open. Deze keer is het een geblokte, kordate verpleegster die met een grijns de dag begint. ‘Goeiemorgen, heren! Lekker geslapen?’ Zonder op het antwoord te wachten trekt ze de gordijnen open, ze verzoekt me mijn pyjama uit te trekken en begint zowaar met een tondeuse de haren van mijn Johnson weg te scheren. Ook ballen en zak worden niet verwaarloosd. ‘Vroeger deden we dat met scheerzeep en een scheermes, maar dat gaf wel ’ns microwondjes die konden ontsteken.’ Even later hangt mijn jongeheer als een kaalgeplukte kippennek aan mijn onderbuik te bengelen. Eerst verkramp je, daarna raak je het gewend, uiteindelijk vind je het vanzelfsprekend. Het incasseringsvermogen van de mens is grenzeloos. Bij wijze van afscheid legt De Kordate een dubbele Xanax op mijn nachttafel, met het verzoek hem ‘met zo weinig mogelijk water’ onmiddellijk in te zwelgen. Ik staar naar het plafond en voel de pillen inwerken. Xanax is een wonderlijk middel. Alle angst, zo die er nog was, verdwijnt uit mijn hoofd. Mijn spieren verslappen en ik voel een aangename leegte over mij nederdalen. Ik weet het: this will be the day.

Geamuseerd kijk ik toe hoe De Kordate weer verschijnt en mijn bed naar buiten rolt. Jean-Pierre steekt zijn duim in de lucht en prevelt: ‘Het ga je goed.’ De gang. De liftdeur. Vijf verdiepingen naar beneden: het kan me geen donder meer schelen. Ik herken de operatiezaal uit deel drie van ‘Kameraad Prostaat’. De dubbele playstation-console waaraan Dokter M. zal plaatsnemen. De vierarmige robot. Níéts boezemt me nog angst in. Chirurgen en verpleegsters buigen zich over me. Jodiumtinctuur wordt over mijn schaamstreek gewreven. Ik krijg een katheter in de bovenkant van mijn rechteronderarm geprikt. Een geruststellend knikje van De Kordate. De grijns van de anesthesist. Zo meteen zal Dokter M… Mijn nieuwe pyjama… En dan… absoluut zwart. Een hedendaagse totale verdoving is nog het best te vergelijken met het abrupt verdwijnen in een zwart gat. Het is de stolp van niet weten die over je heen wordt geplaatst. Het is ondergedompeld worden in zwarte inkt. Geen enkele sensatie dringt tot je door. Geen pijn, geen gedachte, geen droom, geen herinnering. Er is geen rush, geen eeuwig vallen, geen eindeloze tunnel. Het is het niets. De dood.

4 Een pijnloze trance van halfslaap

Maandag, twee uur ’s middags. Ik word wakker en kijk in de trouwe reeënogen van mijn Allerliefste. Ze houdt mijn hand vast en lacht me bemoedigend toe. Ik druk op de sluiter van mijn mentale camera en sla dit beeld van haar op in het Grootboek van onze Liefde. Dat grootboek is vele honderden pagina’s dik. Ik kijk de kamer rond. Het bed van Jean-Pierre is leeg en strak opgemaakt. Naast mij staat de bekende verchroomde standaard, deze keer de mijne, met bovenaan een zak glucosevoeding en een flesje pijnstiller; het reddende vocht druppelt bij me binnen via de katheter in mijn rechterarm. Uit mijn onderbuik loopt een plastic buis die het wondvocht naar een opvangzak draineert. Ik heb geen pijn: ik voel helemaal níéts. Ben nog half verdoofd. Zelfs de irritante spanning van mijn TED-kousen is naar de achtergrond verdwenen. Heb alleen maar dorst. Mijn Allerliefste bevochtigt mijn lippen met een in water gedompelde wattenstaaf. De uren gaan voorbij in een pijnloze trance van halfslaap.

’s Avonds staar ik naar de televisie. Mijn Allerliefste is naar huis. Dokter M. verschijnt aan het voeteinde van mijn bed: ‘Alles is goed verlopen. Morgen krijg je soep en beschuit. Klein slokje water mag. Slaap nu maar.’

5 Kruisafneming en eerste bedbad

Dinsdag. Ik voel me, de omstandigheden in acht genomen, meer dan behoorlijk. Om zes uur in de ochtend komt een verse verpleegster langs, die ik gemakshalve Zuidoost- Aziatisch Schatje zal noemen. Het wordt mijn eerste bedbad. Ze neemt haar tijd, het lieve kind. Ze kleedt me uit en haalt met haar lange nagels o zo behoedzaam het verband van mijn wonden. Ook mijn robinet d’amour, gehuld in een geschenkverpakking van gaas en tape, komt tevoorschijn. Uit de top van mijn eikel ontspruit een rubberen slang, zo dik als een ballpoint: de sonde. Zuidoost-Aziatisch Schatje zeept me van kop tot teen in, ook van achteren, ook mijn verschrompeld fluitje van één cent en mijn armzalige balzak. Teder, bang om me pijn te doen, spoelt ze alles na met een lauwwarme washand, en ze boent me voorzichtig droog. Ze trekt me m’n pyjama weer aan en zet me rechtop in bed. Ach, lief kind, je had me gekend moeten hebben toen ik nog jong en mooi was, en in ontbloot bovenlijf op ganzen joeg in de Heverleese bossen.

Dokter M. doet zijn ronde en vraagt of ik al windjes heb gelaten. Nou, die héb ik: hele vieze, zachte winden waarvan ik de penetrante geur van onder de lakens naar mijn neus kan voelen opstijgen. De dokter knikt: ‘Goed zo, straks mag je wat eten.’ Als voorschot krijg ik een slokje water. Terwijl ik net van zins was te sterven van de dorst. Om tien uur mag ik voor het eerst uit bed. De Kordate en West-Vlaamse Beyoncé trekken mijn bovenlijf naar voren en draaien mijn benen een kwartslag, zodat mijn voeten de grond raken. Met z’n tweeën hijsen ze me rechtop. Ik schuifel enkele passen en laat me in de stoel opzij van het bed neerzakken. Voorwaar, als voorbereiding op de oude dag kan dit tellen. Op naar de dementie! De lieftallige juffrouwen maken mijn bed op en leggen me weer tussen de lakens. Ik voel me fris en kranig. Het ergste is achter de rug. Dénk ik toch. Om de zes uur wordt me een verse flacon pijnstiller opgeprikt. In twintig minuten loopt die in mijn aders leeg en word ik geruime tijd met een gevoel van vrede en welbehagen vervuld. Ik luister voor de zevende keer naar ‘Like a Rolling Stone’ en ik droom de woorden mee: ‘How does it feel…

Na enkele uren slaapwaken steekt de pijn weer op: de sonde in mijn penis jeukt en brandt. Mijn TED-kousen knellen om mijn bovenbenen. Het gat in mijn buik waarlangs de drainagebuis naar binnen gaat, schuurt bij iedere beweging. ‘How does it féééél…’ Maar dan komen Zuidoost- Aziatisch Schatje of West-Vlaamse Beyoncé alweer langs met een nieuwe pijnstiller. Ja, Sister Morphine bestáát.

Ik val in een diepe, droomloze slaap. Als ik wakker schrik, blijk ik een nieuwe buurman te hebben: Gustaaf P., een stevige Oostendenaar van vooraan in de zeventig. Vertelt me dat hij zijn leven lang kolenhandelaar is geweest. Liep dagelijks, met twee zakken van dertig kilo op de schouder, vele tientallen keren de trappen op en af. Loste in zijn eentje twintig ton kolen in enkele uren. Nu heeft hij bloedklonters in de blaas. De dokters hebben hem een doorgedreven blaasspoeling voorgeschreven. Ik krijg twee beboterde beschuiten en een kopje groentensoep. Met spaarzame slokjes lepel ik het vocht naar binnen, als een krijgsgevangene in Buchenwald. Na dit feestmaal val ik weer als een blok in slaap, terwijl kleine windjes van tevredenheid me blijven ontsnappen.

6 Afdaling in de hel

Woensdag. Om één uur ’s nachts vliegt de deur van mijn kamer open. Het licht gaat aan. Twee nachtverpleegsters, dames die ik nooit eerder zag, reppen zich naar het bed van buurman Gustaaf. Pisemmers worden in het toilet leeggegoten, waterzakken opgehangen. Buurman Gustaaf kreunt en blaast. Een dokter komt erbij en houdt een grote maatbeker urine tegen het licht. ‘Nog altijd véél te roze’, zucht hij. De rest van de nacht is één lange urgentie.

De arme Gustaaf krijgt om het uur een nieuwe waterzak aan zijn standaard opgehangen. Vele liters vocht lopen zijn lijf binnen en zijn sonde weer buiten. Maar het resultaat blijft rosé. Ik sukkel in een onrustige sluimer, slaap in, word weer wakker, luister naar Gustaafs ademhaling. Hij blaast ritmisch door neus en mond, almaar sneller en luider. Ik hoor hem in zijn bed kronkelen. Ik kan zijn pijn vóélen. Dan klinkt het geluid van iemand die op een stenen vloer pist. Ik druk op de bel voor de nachtzuster. Lieftallig Hertje verschijnt voor het eerst in mijn leven. Ik stuur haar naar Gustaaf, die nu ongegeneerd uiting geeft aan zijn pijn. Hij blijkt half slapend zijn baxter te hebben losgetrokken. Liters vocht hebben zich in zijn bed verzameld en druppen op de grond. Lieftallig Hertje en De Kordate hijsen Gustaaf uit bed, maken de vloer schoon en zorgen voor een droge matras en nieuwe lakens. Hulde aan de fantastische verpleegsters van het O**-Ziekenhuis te A.! Hulde aan hun toewijding, hun tact en hun enthousiasme, hun beroepsernst en hun mededogen!

Het is drie uur in de nacht, het uur van de wolf. Tot de ochtend gaat deze kruisweg door. Ik blijf klaarwakker, kruip moeizaam uit m’n bed, loop door de gang en stap een met neonlicht gevulde kamer binnen, met reuzenvarens in terracotta potten. Eikenhouten, vers geboende parketvloer. Bij het raam staat een canapé in wit leer. Daarop ligt mijn Allerliefste, naakt, op een bed van rozenblaadjes. Ik kijk haar aan. Uit haar ogen lopen tranen. Diep en intens verdriet spreekt uit die ogen. ‘Zo kun je hier niet blijven liggen, Liefje’, prevel ik. Met een laken dek ik haar toe, van haar voeten tot voorbij haar hoofd. Ze ligt daar als een mummie: ze is blijkbaar overleden. Ik word wakker en vat meteen de symboliek. De varens: zinnebeeld van de dood. Afscheid van de seksualiteit.

7 Boos ontwaken in de realiteit

Nog altijd woensdag. Het gaat niet goed met me. Ik heb koorts en pijn – het gevolg van de doorwaakte nacht. Voor het eerst kijk ik uit naar een nieuwe dosis pijnstiller. Ik maak me zorgen over de in mijn bekken geslagen wonde. Blaas en plasbuisstomp zijn door Dokter M. aan elkaar gehecht. Wat als de wonde ontsteekt? Een ontsteking, zo herinner ik me uit de tijd toen ik voor gynaecoloog studeerde, wordt gekenmerkt door calor, rubor, dolor. Hitte, roodheid, pijn. En wat is koorts anders dan hitte? Gisteren ging alles zo goed, maar nu zijn er de gevreesde complicaties. Alleen ‘Blood on the Tracks’ kan me tijdelijk troosten. Lieftallig Hertje neemt mijn temperatuur: bijna 39 graden koorts. De erbij geroepen assistent overweegt antibiotica. Even later staat Dokter M. aan mijn bed. Hij vindt dat ik de koorts op eigen kracht moet overwinnen. Dat betekent: géén pijnstiller meer. Die haalt de temperatuur artificieel naar beneden, maar geneest de ontsteking niet. Deze dag, de gevreesde derde dag, wordt de moeilijkste van mijn verblijf. Gisteren zou ik gevochten hebben voor een beschuit méér, vandaag laat ik het eten onaangeroerd. Mijn Allerliefste brengt perziken en blauwe druiven, maar ik heb geen trek. De Kordate wil dat ik ondanks alles even uit bed kom. Ik strompel, in alleen een T-shirt en mijn witte TED-kousen, enkele meters op en neer door de gang, de standaard met mijn vochtzakken voor mij uitduwend. Quel bordel!

8 Pralines en genezing

Donderdag. Spectaculaire verbetering. Ik heb een rustige nacht gehad en de koorts is even snel geweken als ze was verschenen. West-Vlaamse Beyoncé verwijdert de drainagebuis uit mijn buikholte en verzorgt mijn wonden, maar ze staat erop dat ik me zelf was: géén bedbad meer. Om elf uur wordt buurman Gustaaf ontslagen. Ik krijg een stevige handdruk en een half leeggegeten doos pralines ten afscheid.

’s Middags vreet ik als een hongerige wolf. Lieftallig Hertje neemt mijn temperatuur: 36,8 graden, alsjeblieft! Na een verkwikkende slaap komt Dokter M. me hoogstpersoonlijk het goede nieuws brengen: vanavond mag ik naar huis. In de plaats van de standaard met de urineopvangzak krijg ik een beensonde: mijn Elixir d’Anvers loopt nu vanuit mijn piccolo via een buisje naar een plastic zak, die ter hoogte van mijn enkel is vastgemaakt. Ik kan me nu vrijelijk door de gangen bewegen, ik neem de lift, ga een ijsje eten in de cafetaria en spreek op mijn redactierecordertje mijn ervaringen in. Een gezonde levenskracht bruist door mijn bloedvaten. Ik heb de Kilimanjaro beklommen, de Everest overwonnen. ‘Forever Young’! Mijn Allerliefste rijdt me in haar autootje weer naar huis. Het schokken doet pijn, maar ik ben gelukkig. Precies 72 uur na de ingreep lig ik weer in mijn eigen bed.

9 Een cascade van zorgen

Vrijdag. Mijn Allerliefste heeft alles mooi geregeld. De thuisverpleging zal iedere dag langskomen voor een injectie tegen de vorming van bloedklonters, wat flebitis of aderontsteking in de onderbenen kan veroorzaken. Ik heb last van fluimen: als ik ze naar boven probeer te hoesten, lijken de vijf gaten in mijn buik, mijn vijf Mystieke Wonden, open te scheuren. Het zijn de stille getuigen waar de robotpriemen van Dokter M. mijn buikholte zijn binnengegaan. Ook naar de grote wc gaan verloopt pijnlijk: ik mag vooral niet drukken, want de anastomose, dat is de hechting tussen blaas en urethra, zou weer open kunnen scheuren. Dus poep ik met gecontroleerde ministoten, als een bange schooljuffrouw. De sonde blijft jeuken: mijn eikel staat in brand. Maar, zoals gezegd: eerst verkramp je, daarna raak je het gewend en uiteindelijk vind je het vanzelfsprekend. Tot vandaag was ik uitsluitend op mijn pijn en wonden geconcentreerd. Maar daar verschijnen al nieuwe zorgen: zal ik straks in bed plassen? Zal ik druppen? Of zal ik droog blijven? En wat met de voortplanting? Zal mijn Allerliefste tot het einde van haar dagen met een eunuch opgescheept blijven? Bezorgdheid A wordt opgelost en maakt plaats voor ongerustheid B. Zo sleept het leven zich voort, in een oneindige cascade van zorgen.

10 Verwijdering van de Sonde

Maandag. Weer naar het O**-Ziekenhuis te A. voor een laatste controle. Ik krijg een contrastvloeistof in mijn blaas gedrupt, waarna een röntgenfoto wordt gemaakt. De operatie blijkt perfect gelukt, de wonde volmaakt gehecht, de anastomose houdt stand. Lieftallig Hertje trekt o zo voorzichtig de gehate sonde uit mijn floche. Ze doet me een pamper om en geeft me zakjes poeder mee om de stoelgang smeuïg te houden, en incontinentiemateriaal voor als ik straks weer naar Humo moet. Van La Moerkerke krijg ik een strak regime opgelegd: géén warme baden (maakt de wonde week), géén alcohol (bloedingen!), niet fietsen, géén zware inspanningen, minstens anderhalve liter water per dag drinken, bekkenbodemspieren dagelijks oefenen (bevordert de continentie), tanden poetsen en handen boven tafel houden. Eenmaal thuis volgt het moment van de waarheid, het eerste in een lange reeks. Ik trek mijn pamper uit. Droog. Droog! DROOG!!! Geen lek, geen druppel is me tijdens de autorit ontsnapt.

Ik loop naar de wc en plas voor het eerst zonder sonde: een krachtige jongensstraal, één zoals ik er lang, lang geleden produceerde. Ik lijk wel een hogedrukreiniger. Komt, vanzelfsprekend, door het ontbreken van de prostaat. Ik haal er mijn Allerliefste bij voor een dansje. Het zal niet het laatste zijn. Een diepe, warme genegenheid voor Dokter M. overweldigt me. Goed gedaan, doc! Let wel: we schrijven amper zeven dagen na de ingreep. Nu nog hacer el amor. We zullen zien, we zullen zien.

11 Visitatie van de gelukzalige Maggie De Block

De dagen gaan almaar sneller voorbij en ik voel mijn oude krachten en mijn ontuchtige verlangens terugkeren. ’s Middags lig ik breed uitgestrekt op de bank naar het nieuws te kijken, wanneer plotseling de aanminnige gestalte van Maggie De Block verschijnt. Onze staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding komt trots vertellen dat ze zonet een contingent uitgeprocedeerde asielzoekers hoogstpersoonlijk naar het Tropische Paradijs genaamd Kaboel heeft teruggevlogen.

Ik draai het volume naar nul, zodat ik me beter op haar fantastische contouren kan concentreren. Ik heb al veel kritiek op de looks van Maggie mogen aanhoren, maar wie me kent, weet dat ik lijd aan een niet te cureren fascinatie voor weelderige vrouwen. Ik duw op de slomo-knop en kijk bewonderend toe. Haar bruine ogen lichten op, haar hardrood geverfde lippen openen en sluiten zich, en als ze die hunkerende lippen ook nog ’ns tuit, bevries ik het beeld.

Terwijl ik naar haar rubensiaanse schoonheid staar, word ik overweldigd door een niet te controleren begeerte, een onstuitbaar verlangen naar lichamelijke ver-eniging met deze sensuele vrouw. Werktuiglijk ben ik bij dit stilleven het kopje van mijn liefdestoorts beginnen te beroeren. En voorwaar, het wonder geschiedt: Mijnheer richt zich aarzelend op, voor het eerst sedert negen dagen. Niet trots als een drilboor, maar nederig, welhaast beschaamd, bang om zich op te dringen. Geen triomfantelijke Tom Boonen. Eerder een bescheiden Marc Didden. Ja, er is nog leven in de brouwerij! Ik blijf naar het scherm staren en ga door met mezelf te liefkozen. En dan, volkomen onverwacht, trekt een razende storm van genot door mijn hersenen. Honderd miljard neuronen schieten me als een raket de kosmos in.

Het is het beruchte Van Poppel-orgasme, voor het eerst in de urologische literatuur beschreven door professor doctor magister magnificus J.F.H.H. Van Poppel. Die had het me in hoogsteigen persoon uitgelegd: ‘Sommige patiënten komen me na de ingreep vertellen dat ze een onbekende, verhevigde vorm van klaarkomen ervaren. Anders, maar vooral béter dan voordien. Het is een uitsluitend cerebraal orgasme dat geen erectie nodig heeft, maar dat door het samengaan van stimulatie van de eikel en zuivere geestkracht wordt opgewekt.’ Nog narillend van genot bedenk ik hoe ik dit wonder te danken heb aan de tovenaarskunsten van Dokter M. Hij die door jaloerse collega’s ooit ‘de cowboy’ werd genoemd, heeft er via een ‘tweezijdig zenuwsparende ingreep’ voor gezorgd dat mijn delicate hobo d’amore zo goed als intact de strijd heeft overleefd. Hulde aan onze urologen! Hulde aan tovenaar Dokter M.! Maar boven alles: hulde aan de charmes van Maggie De Block, onze onvolprezen staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Oprichting van voor altijd verloren gewaande Liefdespenselen. ‘Lay Lady Lay’!

12 Wederop - standing uit het Niets

Het herstel gaat in vliegende vaart. Ik maak lange wandelingen door veld en bos. De wonden in mijn buik verschrompelen tot onbeduidende streepjes. Mijn hoofd voelt helder aan, mijn lichaam wint iedere dag aan kracht. Drie weken na de ingreep moet ik op eindcontrole bij Dokter M. Mijn flow is oké, mijn straal kort maar krachtig, mijn blaas is in staat 600 cc Pouilly-Fuissé te bevatten zonder dat ik spontaan ga plassen. Ik vertel Dokter M. over mijn avonturen met Maggie De Block. Hij knikt en geeft me vier pilletjes Levitra mee naar huis: ‘En vooral niet te wild gaan stoten, straks.’ Wat die avond geschiedt, gaat jullie geen donder aan, dus zal ik me beperken tot een strikt medische uitleg. Levitra is een erectiebevorderend middel, de opvolger van viagra. Je begint met een halve dosis, tien milligram. Een halfuur na de inname beginnen je wangen te gloeien: een roze blos verschijnt. Levitra en co. veroorzaken géén stijve, wel intensifiëren ze een bestaande erectie. Van een halve erectie maken ze een hele. Van een Pietje maken ze een Fernand. ’s Avonds laat stuur ik een felicitatietelegram naar Dokter M. Mijn Allerliefste ondertekent mee.

13 Onze Held stijgt op eigen kracht ten hemel

Anderhalve maand na de ingreep. Dit wordt één lang zegebulletin. Ik heb vier interviews achter de kiezen, waaronder één met de ravissante Sandy Tura. Ik win wat kilo’s bij, scheur als vroeger over de wegen en bied me ter redactie, ter kerke en op feestjes in optima forma aan – zónder pamper, tot spijt van wie ’t benijdt.

De wonden zijn geheeld, de gruwel vergeten, de angst verdrongen. Fluitje van een cent, quoi. Levitra en co. heb ik niet meer nodig. Voor wie het mocht interesseren: vier dagen geleden wakker geworden met een beenharde ochtenderectie. Onmiddellijk geconsumeerd, wat had u gedacht. Sedertdien is er geen houden meer aan. Op onze pronktafel heb ik een foto van Dokter M. geplaatst, met een kaarsje ervoor, ter gedurige aanbidding. Nog regelmatig denk ik dankbaar terug aan Lieftallig Hertje, Zuidoost- Aziatisch Schatje, La Moerkerke en al die andere prachtige meisjes van het O**-Ziekenhuis te A. Toegegeven: mijn sex pistol schiet geen heilige vlokken meer tot tegen het Atomium. Het zal voor eeuwig een Van Poppel-orgasme blijven produceren: weliswaar stijf, maar droog en zaadloos. Cerebraal. En, jawel professor, vaak beter en intenser dan het vroegere werk. Voortplanten kan ik me niet meer. Maar: who the fuck cares. Er lopen al genoeg idioten op deze waanzinnige aardkloot rond. De kanker lijkt volkomen uit mijn lijf verdwenen. Na zes weken is de PSA-score teruggevallen tot 0,04.

Over enkele weken zal hij, hout vasthouden, niet meer te meten zijn. Een laatste woord voor wie zelf recentelijk Het Verdict te horen heeft gekregen: ‘U hebt prostaatkanker…’ Wees niet bang. Verstijf niet van angst voor de radicale verwijdering van de prostaat. Kies voor de beste chirurg, het beste ziekenhuis. Bijt door de zure appel. Met wat geluk en de juiste Allerliefste aan uw zijde komt alles weer goed. En wat mezelf betreft: this was nót the last time. Jullie zijn nog niet van me af. Oh no!

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De Persgroep Publishing heeft haar Privacy– en cookieverklaring aangepast.
Wij gebruiken jouw persoonsgegevens vanaf nu ook om de Diensten van MEDIALAAN Groep/De Persgroep Publishing te optimaliseren en deze waarvoor jij kiest te personaliseren.
Door op “verdergaan” te klikken of door verder te surfen, erken je deze aangepaste Privacy– en cookieverklaring gelezen te hebben.

Verdergaan