Humo 3315, 16 maart 2004
1. Keizersnede
2. Nonnenblues
10. Gestapo-kelder
13. Leerling-gigolo
17. Sneeuw op de dijk
22. Rattenbezoek
25. Dichtertje trouwde
Humo 3316, 23 maart 2004
32. Verwondering
34. Gerard Reve
35. Ongelovige Thomas
36. Louis Paul Boon
41. Drie naakte heren
42. De Nieuwe Mens
45. Kitty
46. Bezopen ontmoeting
Humo 3317, 30 maart 2004
56. Academie Bugeaud
57. Vader en zoon
63. Verhuismicrobe
65. De Nobelprijs
73. Zwarte vlek
'Toen ik vier was, kende ik het verschil tussen goed en kwaad. Sindsdien ben ik dat vergeten'
1. Keizersnede
De eerste schreeuw van een mens is er één om aandacht, dat was voor Hugo Claus niet anders. 'Niemand lette op mij,' zei hij toen hij voor het eerst tegenover een interviewer zijn geboorte probeerde te regisseren. 'Alle doktoren keken uit het raam naar mijn vader die buiten, in een spiksplinternieuwe Chenard Walker, ongeduldig claxonneerde.' De Chenard Walker model 1929 is een indrukwekkende auto, style Al Capone, en zijn verschijning op de binnenplaats van het Brugse Sint-Janshospitaal leidde volgens de boreling tot heftige discussies onder de heren medici. Toen de aanwezige vroedvrouw in de jaren zestig werd teruggevonden, herinnerde ze zich daar niks van.
Joseph Claus
was 23, Germaine Vanderlinden 22, en hun oudste zoon kwam in de vroege avond van 5 april 1929 ter wereld door middel van een keizersnede. 'Als ik me melancholiek voel, schrijf ik dat op rekening van mijn moeder die me niet eens normaal ter wereld kon brengen,' zei de zoon daar later over. 'Men moest mij met geweld van haar lossnijden.' Hij zou er ook over dichten: 'Mijn moeder laat haar vrucht - haar prooi - niet los. / Men moet in haar zoeken.'De zoon heeft de moeder nooit gelost: hij is toch zijn leven lang een moederskind gebleven, pols ik. 'Precies,' zegt hij, 'mijn moeder was voor mij een heilige, mijn vader een sukkel - héél klassiek.'
2. Nonnenblues
Nog als peuter belandde Claus in de katholieke kostschool, eerst in Eke, dan in Aalbeke. Hij beleefde die jaren als een celstraf.
Claus, voor de Nederlandse televisie, in 1963: 'Je werd er streng opgeleid in een aantal regels en verordeningen. 's Avonds werd je in de slaapzaal overvallen door een onnoemelijke melancholie. Ik begreep nergens iets van, alleen maar dat je gevangen zat en je wist niet waarom. Die mysterieuze regels hadden je in een greep; één van die regels was dat je Frans moest spreken op donderdag en zaterdag, en Vlaams op de andere dagen. De week daarop was het andersom. Je moest ook zwarte wollen kousen dragen tot boven de knie, en God zat in elke hoek. God zit, geloof ik, heel veel in kostscholen. Op de speelplaats zat hij ook, en als de zuster, wanneer we speelden, één keer floot, dan bleef je helemaal onbeweeglijk stilstaan als een trillende jachthond.'
Het is een hoofdstelling van Claus: de kostschool heeft zijn leven beschadigd, ze is de broedplek van zijn ressentimenten en trauma's.
In de lente van '83, na het verschijnen van 'Het verdriet van België', liep Claus voor het eerst opnieuw rond in Aalbeke, samen met Cees Nooteboom. Alles leek hem troostelozer, kleiner, te beginnen met het onooglijke deurtje om de school binnen te stappen - in zijn herinnering de brede poort tot een middeleeuws slot. En de nonnen die ze in het straatbeeld bespeurden, hadden hun oude gewaden afgelegd. Claus, voor de microfoon: 'Als ik nu dat wijfje daar zie, met loshangende haren en zelfs een enkele kuit vertonend... dat heeft voor mij niets meer met een non te maken.'
Ik vraag hem wat hij zich vandaag van die terugkeer naar Aalbeke herinnert. 'Dat ik niet tot nostalgie in staat ben,' zegt hij, 'Dat is voor Cees.'






























![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)


0 reacties
reageer ookReageer ook