
(Humo 1962 / 13 april 1978)
De punker en het waterkonijn
Hij draagt een versleten lederen vestje met No Future op de rugkant, en baggert rond in een stel enorme laarzen die tot aan zijn liezen reiken. Pietje stelt me voor als 'een jongen die artikels schrijft op de achterkant van reclames', en raadt zijn leerling aan verder geen aandacht aan mij te besteden. Dan trekken we de velden in, terwijl de zon zich langzaam losmaakt van de einder. Ik vraag of er nog veel muskusratten zitten, maar Pietje wijst me knorrig terecht: 'Spreek nooit over ratten, want het zijn konijnen. Waterkonijnen, zot van water.'
Ik opper dat die vergelijking niet helemaal opgaat, omdat konijnen lange oren hebben en muskusratten niet, maar Pietje is niet onder de indruk. 'Die oren zijn afgebeten door een hermelijn, lang geleden, toen het waterkonijn nog op het land leefde en een gewoon konijn was. Het hermelijn had er de hele zomer op gejaagd en hij was razend, want hij kon het nooit te pakken krijgen. Maar op een dag had het konijn tegenslag: het liep over zijn wissel zonder eerst goed te kijken en wat gebeurt er? Knaps! Het hermelijn pakt hem bij zijn staartje vast en begint zijn oren op te vreten. Toen hij al geen oren meer had waagde het konijn nog een laatste wanhopige noodsprong, maar het hermelijn hield hem nog altijd stevig bij zijn staartje. Een schreeuw... en het konijn sprong weg met een naakte, uitgerokken staart, terwijl het hermelijn het stukje pels tussen zijn klauwen hield. Het konijn wipte in het water om aan het razende hermelijn te ontsnappen maar die sprong hem na en zwom erachter. En ze zwemmen nóg altijd! Het konijn zonder oren en met z'n lange naakte staart is het waterkonijn geworden, en het hermelijn de otter!
'Dat is tenminste wat Indianen mij verteld hebben toen ik het Lake District bezocht in de jaren '30. Daar heb ik mijn eerste waterkonijnen gezien, want vroeger waren er geen in Europa. In 1905 heeft een rijke stinkerd, prins Colloredo-Mansfeld, zes beesten meegebracht van een jachtpartij in Alaska en uitgezet in een zijbeek van de Moldau, op zijn landgoed Dobrisch in de buurt van Praag. Om ze te kweken voor hun pels. Slim gezien van die peet. Tegen de Eerste Oorlog waren er al zoveel dat ze Oostenrijk en Beieren binnenvielen. In '28 zijn ze in België binnengehaald, gekweekt in kotjes, en op 15 plaatsen ontsnapt. We zitten er nóg altijd achter.'
Floor blijft plots staan en wijst ons iets aan dat eruit ziet als een grote hoop stro op het water. 'Een winterhut!' Pietje knort tevreden en haalt zijn beduimeld puntenboekje boven. 'Bewoond of onbewoond?'
Floor:
'Onbewoond. Ze verlaten hun winterhutten begin maart als de trek begint.'Dat levert punten op. Pietje klapt zijn boekje dicht en preciseert dat alle volwassenen van de kolonie in de herfst samenwerken om met voorpoten en staart een hut op te trekken uit riet, lisdodde en modder, met een uitgang onder water.
'Buiten mag het de hele winter vriezen dat het kraakt, de hut blijft vorstvrij omdat de vochtige planten beginnen te 'broeien'. Lucht krijgen ze door de holle stengels die voor ventilatie zorgen. En honger hebben ze niet want hun hut is tegelijk hun wintervoorraad, ze eten van de muren. Simpel maar geniaal.'
Dit eerste teken van hun aanwezigheid heeft indruk gemaakt; we hebben er nog geen gezien, maar ze zijn er nu, en we trekken achter hen aan. Pietje polst Floor ondertussen over de trek, ik volg op enkele passen en kijk voortdurend tegen de boodschap No Future aan.
Floor:
'Tegen het eind van de winter, eind februari-begin maart, krijgen ze goesting om te fokken. Een deel van de kolonie trekt dan weg, om nieuwe nestelplaatsen te zoeken, soms 10, tot 20 kilometer verder. De verkenners gaan voorop.'Pietje:
'En hoe weten de andere langs waar de verkenners gegaan zijn?'Floor:
'Ze ruiken dat, door de muskusklieren bij de mannekens, die uitmonden in hun achterste. In januari beginnen die klieren op te zwellen, in februari komt er nat uit. Door te zwemmen persen ze die muskus naar buiten en zo maken ze een spoor dat de andere op kilometers ruiken.'Pietje:
'Heb je een flesje bij met lokgeur?'Floor:
'Ja, muskus gemengd met glycerine en olie van wilde munt.'Pietje snuift uitvoerig aan het potje en geeft zijn fiat.
'Dan mag je nu een klem zetten op een geschikte plaats naar eigen keuze. Goed opletten want er staan tien punten op!'
Floor kiest zijn plek even voor een flauwe bocht in de beek, gaat te water en waadt naar de overkant. Hij legt Pietje uit dat hij de binnenbocht kiest omdat de stroming van het water daar minder sterk is, reden waarom waterkonijnen op trek altijd de binnenbocht volgen. Hij wacht op instemming, maar Pietje bestudeert de hemel met een uitgestreken pokerface. Dan spiest Floor een halve appel op een stokje tegen de grachtkant, 20 centimeter boven het water, doet enkele druppels lokgeur op een handvol hooi en propt dat achter de appel. Daaronder installeert hij de klem, enkele centimeter onder de waterspiegel. Pietje zegt niets maar stelt een bijvraag: 'Je ziet dat een klem leegblijft. Na hoeveel dagen zet je ze op een andere plaats? Na 2 dagen? Drie dagen? Vier dagen? Of vijf dagen?' Floor denkt na, twijfelt tussen twee en drie dagen. Drie is juist. We trekken verder.
Pietje is goedgemutst en vertelt met zichtbaar genoegen over de seksuele appetijt van de muskusratten. Wij leren dat één mannetje 4 tot 5 wijfjes kan tevreden stellen. De trek duurt tot eind mei, maar ze fokken door tot in september. De wijfjes werpen driemaal per jaar, gemiddeld zes jongen per worp, maar dat durven er ook wel eens tien zijn.

































![Aimé Van Hecke: 'Humo heeft afspraak met de 21ste eeuw gemist' [fotospecial]](http://img.humo.be/q90/w148/h148/img_352/352566.jpg)


0 reacties
reageer ookReageer ook