Hourpes: het kalmste station van België

, door (jh)

hourpes

(Verschenen in Humo op 7/2/2013)

Vanop het perron van Hourpes is geen enkel huis te zien, alleen een spoorbrug over de Samber en heuvels met bossen en herfstkleuren.

Onderaan het talud begint het betonnen jaagpad langs de rivier. Het water is mosgroen met stille kringen, één hengel en ik zou hier uren kunnen zitten. De spoorwegbrug is ook nog zo'n dikke solide boog met klinknagels à volonté en met de zonnerimpels van het water die op de onderkant van de brug spiegelen. Die brug, dat smalle jaagpad en de halfvergane roeiboot die gebukt onder de struiken ligt, maken van Hourpes een werkelijk bezienswaardige stopplaats. Je kan hier de fazant schril horen schreeuwen, met die kenmerkende roest in zijn roep, en het is hier ook de habitat van de kettingzaag. Verweg snerpend, met daarna het langzame breken van een boomstam die met een plof neervalt, onzichtbaar, ginder hoog in de heuvels.

Pas als ik honderd meter langs het jaagpad ben gegaan, zie ik vier huizen. In het eerste huis doet Michelle Cheron (61) open. Antwerpen is een grote stad, zegt ze, wat mag het zijn dat u tot hiér brengt. Kleine stopplaatsen? Hourpes zelf!? Deze point d'arret!? En dan schalt ze een luid bravo, want ja, ze is best trots op deze plek. En dat die stopplaats moét blijven, en zàl blijven! Die gaan ze ons niet afpakken, want anders heeft dit dorp geen circulation meer, dan worden we echt afgesloten van de buitenwereld, dan hebben we geen reden van bestaan meer. Er kan hier immers nooit een bus komen, want er is maar één weg naar Hourpes en dat is een steile smalle weg door het bos naar beneden, geen enkele bus die dat aandurft.

Rivierkreeften en zoetwatermosselen

En wie die stopplaats eigenlijk gebruikt? Moi! En natuurlijk kent ze alle reizigers. Haar buurvrouw Nicole, en ook de buurvrouw ernaast, dan een paar scholieren, dan die twee die aan de overkant van de Samber wonen, en om half zeven heb je  de man die in Brussel werkt, en af en toe is er de zeeman die tussen twee lange omvaarten interims doet in Antwerpen, en die altijd de eerste trein moet hebben van tien na vijf, "een trein waarvan ze gezegd hebben dat ze hem willen schrappen!"

Veel andere reizigers komt Michelle niet tegen. Ja, soms ziet ze een zwartrijder die door de controleur is buitengezet, "die staan hier raar te kijken, zo midden in het bos!"

En dat ik eens in het weekend moet komen. Dan zal ik hier veel fietsers zien langs het jaagpad en ook vissers, want hier zit snoek. En je kan rivierkreeften en zoetwatermosselen uit de Samber halen, ze heeft al een reiger mosselen zien eten, hij brak ze met z'n snavel. Het water is nu ook zuiver omdat er geen fabrieken meer zijn. Dat maakt waarom hier zo weinig reizigers opstappen zijn, de werkgelegenheid is al jaren wég. Vroeger waren hier hoogovens, een staalwalserij én een steenkoolmijn, en al die fabrieken hadden hun goederenspoor dat aansloot op de stopplaats. In de jaren vijftig waren hier wel drie cités, maar nu zijn er nog maar vijfendertig huizen en honderdtwintig inwoners.

Ik moet in Hourpes dus geen winkel, café of school meer zoeken, dat is allemaal fini, en de kerk is intussen buurthuis geworden. Gelukkig komt er twee keer in de week een bakker zijn ronde doen. En er is veel burenhulp: ze komen je vragen of je niet mee rijdt naar de supermarkt, en als iemand bij de slager moet zijn, gaat ie eerst bij z'n buren vragen of ze niks nodig hebben, c'est génial

Maar de trein, dat blijft voor haar het belangrijkste vervoer, "ik kan geen auto rijden, ik heb alleen maar die trein. Neem dat ik op consultatie moet in de kliniek van Lobbes, die kliniek is vlakbij het station, makkelijker kan het niet!"

En ooit is ze met de trein al naar andere steden geweest. De verste, dat waren Antwerpen en Oostende. En dat veel jonge zestigers vér op reis gaan, dat weet ze, maar voor haar volstaat deze plek. Ici, c'est la campagne. Ici, c'est le bois. Meer moet ze niet hebben.

Er zijn hier zelfs al films en tv-producties gedraaid omdat het zo'n uitgelezen natuurlijk decor is, "je moet de zon hier 's morgens zien opgaan boven het water, dat is al een natuurfilm op zich!"

En of ik "van hogerhand" soms te weten kan komen of ze de stopplaats gaan afschaffen, want achtentwintig jaar geleden spraken ze daar ook al over. Ze hebben het uiteindelijk niet gedaan, maar de treinen op zater-, zon- en feestdagen moesten eraan geloven. (…)

Zwemmende everzwijnen

Ik vraag of ze zich nog nooit benauwd heeft gevoeld terwijl ze daar toch vaak in haar eentje op dat perron staat. "Er is niémand, dus is er ook niemand om schrik van te hebben. In een stad waar veel volk is, dààr ben ik benauwd!"

Maar in de winter zal het soms toch geen sinecure zijn om tot bij die stopplaats te geraken? In de winter stapt men door de sneeuw, zegt ze laconiek. "Vorig jaar lag het té dik; toen is er toch een tractor moeten komen om het jaagpad vrij te maken."

En dat ze onderweg naar de stopplaats al vossen, herten en reeën is tegengekomen. En everzwijnen natuurlijk: "Let maar op als je straks terug gaat, dan zal je zien waar ze de graszoden naast het jaagpad hebben omgewoeld. Er zijn er zoveel, ik zie ze soms over de rails lopen!" Meer nog, ze heeft die evers hier al over de Samber zien zwemmen, ça nage hein, les sangliers!

Als ik weer op het perron sta, is het lichtjes gaan motregenen. Het ruikt nu nog feller naar bos, met die diepe vochtige geur van humus, natte varens en pas omgezaagde bomen. Er klinken drie geweerschoten uit de heuvels en dan komt een goederentrein voorbij, een trage en lawaaierige karavaan van ijzer, huifzeilen en wagons, en de bovenleiding knispert nog na als-ie uit het gezichtsveld is verdwenen. Een buizerd zeilt geruisloos over de spoorbrug, en ik zie nu ook de passerelle over de Samber die naar een nog meer afgelegen deel van het dorp voert, achter het bos moet nog een kleine cité zijn. Alles hoor je op zo'n verlaten perron. De kraaien. De kettingzaag die zich nog altijd een weg zoekt door het bos. En zelfs de fabrieken die hier allang verdwenen zijn en die geen geluid meer voortbrengen; maar ik hoor het geraas van al die tonnen staal en steenkool die hiér en in heel het land vooruitgang hebben gebracht, en die nu bestorven liggen in de asse van dit perron waar haast niemand nog een voet zet.

Als ik opstap, stappen een jongen en een meisje af. Het meisje wuift kort en gaat de weg naar het jaagpad, de jongen volgt de passerelle over de Samber naar het andere deel van Hourpes. Twee schoolkinderen gescheiden door een rivier, een bos en een spoorwegbrug, België heeft nog uithoeken.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven