Archief: De ramp van Godsheide

, door (jh)

godsheide

Verschenen in Humo 3519 van 12 februari 2008.

'Hoe een dorp in één klap zijn kinderen verloor'

Jean en Pierre Houben zeggen dat vrijdag 14 februari 1941 een koude, maar zonnige dag was, en een schooldag als een andere. De twee broers zaten in het eerste en derde leerjaar van de jongensschool in Godske, dat is Godsheide, een gehucht ten oosten van Hasselt. Maar nog voor de dag naar vier uur liep, waren er al vijfendertig namen van het bord geveegd in de jongens- én in de meisjesschool.

In Limburg staat die donkere februaridag - met in totaal zevenendertig mensen die verdronken - bekend als de 'ramp in Godske' en die dag wordt nog jaarlijks herdacht. Maar in de rest van het land is Godsheide 'vergeten'. Qua aantal kinderdoden is het nochtans één van de zwaarste catastrofes van de laatste honderd jaar.

Kind zijn, het zou geen ramp mogen zijn. 

Pierre «Ik was negen en Jean was zeven en wij gingen allebei naar dezelfde kleine jongensschool. Er waren drie klassen voor de acht eerste studiejaren. Ik zat in het derde en Jean in het eerste studiejaar.»

Jean «Ik zat bij meester Colson, een grote magere man. Die deed de twee laagste jaren, en wij, de kinderen van het eerste, zaten samen in één lange bank.»

Pierre «Al die klasjes zagen er hetzelfde uit: een stoof in het midden, een zwart bord aan de muur en de kinderen die nog met een griffel op hun leiplankje schreven.»

Jean «Bij Colson moest ik soms schrijven met de natte vinger! Dan vond ik mijn griffel weer eens niet, en moest ik mijn sommen maken met speeksel op m'n lei! Dat waren meesters toen! Die hadden nog losse handen! Of die klopten met een regel op uw vingers! Maar hola, de kinderen luisterden toen beter dan nu!»

Pierre «Die veertiende februari was een vrijdag, een koude maar zonnige dag. Ik weet nog dat we Godsdienst en Gewijde Geschiedenis hadden. En 's middags hebben we nog buiten gespeeld. Dat was toen zo. Elke middag om twaalf uur trokken de meesters de deur toe en werden de kinderen losgelaten.

»Omdat de meeste kinderen ver van school woonden, bleven wij dan maar in het dorp spelen. Knikkeren, met de tol gooien, verstekerkespelen, of zomaar de natuur intrekken, dat mocht allemaal. Godsheide was een stil dorp toen, met alleen wat keuterboerkes en mannen die in de mijn werkten.»

Pierre «Het is allemaal gekomen door de oorlog. Vroeger was hier een smalle ijzeren brug over het Albertkanaal, maar die is op 10 mei 1940 opgeblazen door het Belgische leger om de Duitsers tegen te houden.»

Jean «Maar de Duitsers zijn gewoon gepasseerd hé, en na die inval hebben ze een loopbrug gelegd om het kanaal over te steken. Dat waren lange planken die aan lege olietonnen waren vastgemaakt. Die loopbrug ging na een paar weken al kapot, en toen is dat vlot er gekomen. Ook weer met lege tonnen en daarop een plankenvloer.

»Dat vlot hing aan een kabel die op de bodem van het kanaal lag om de scheepvaart niet te hinderen. Op het vlot had je een winch en er was een werkman van de stad Hasselt die de kabel daarmee opspande en het vlot naar de overkant trok. (laat foto zien).

»Ge ziet het, de mensen stonden op dat vlot tussen vier houten leuningen. Dat vlot was klein, niet veel meer dan vier meter bij drie. Het kanaal was ook smaller dan nu, zo'n 35 meter, dus op één à twee minuten waart ge over.»

De ramp van Godsheide: 'Spring er maar op!'

Pierre «De school was om halfvier uit en dan deden de grootste jongens koers over de zandweg, om het eerst naar dat vlot. En de kleintjes, die liepen trager natuurlijk. Die speelden nog wat onderweg.»

Jean «Het merendeel van de schoolkinderen woonde aan de andere kant van het kanaal. Want toen ze het Albertkanaal gegraven hebben in de jaren dertig, hebben ze dat dwars door het gehucht Godsheide gelegd.»

Pierre «De meisjesschool lag maar op vijftig meter van het kanaal en dikwijls waren er al veel meisjes overgezet als we aankwamen, samen met de grootste jongens van de school die het hardste konden lopen. Die groten mochten van de veerman ook al eens aan de winch draaien.»

Jean «Normaal moest de veerman drie keer varen om al de schoolkinderen over te zetten. Maar toen heeft hij het in twee keer gedaan. Het vlot stond al helemaal vol, en er was nog een groepje kinderen dat op de dijk stond te wachten en de meester riep: 'Kom maar! Kom! Spring er maar op!' En zo waren er zeker vijftig kinderen aan boord plus nog vier grote mensen: de meester, die werkman en twee kanaalwerkers met hun fiets er nog bij!»

Pierre «Er stond nergens geschreven hoeveel personen er maximaal aan boord mocht. Ja, zo is dat met reglementen, die schrijven ze pas als er ongevallen gebeuren.»

Jean «Door al dat gewicht heeft dat vlot water gemaakt en is het gekanteld toen het nog maar twee of drie meter van de kant was!»

Pierre «Veel verder kan het niet geweest zijn want de meester en die werkman zijn er nog afgesprongen, naar dat houten trapke op de dijk. De meester had een lange pardessusaan en Jefke Pipeleers die toen zeven jaar was, heeft die jas nog vastgepakt en zo is die ook aan de kant geraakt. (Jefke is in 1944 omgekomen na het oprapen van een oorlogstuig dat in zijn handen ontplofte. Op de dag van de bevrijding, jh)»

Jean «Dat was een gegil en een vreselijke paniek toen dat vlot kantelde en ondersteboven ging liggen. En door die houten schotten rond dat vlot zaten alle kinderen onder water als muizen in de val.»

Pierre «Ik ben van mijn stokske gegaan. Ik weet alleen nog dat ik onder water spartelde en dat ik mij aan een stuk hout heb opgetrokken. Blijkbaar ben ik uit dat vlot geslagen en ben ik langs de buitenkant van die schotten omhoog geklommen. Dat was één gewoel en klauwen en slaan om boven te komen, ik weet nog dat ik andere kinderen onder mij heb gevoeld.»

Jean «Of wij konden zwemmen?! Dat kon niemand, meneer. Tenzij de koning en de rijke mensen. Die konden zwemmen, en ook paard rijden en met het tennisracket spelen. Zwemmen was niks voor 't arme volk.»

Pierre «Harry Berx,die op z'n eentje bovenop die tonnen was geraakt, heeft mij uit het kanaal getrokken.»

Jean «Mij ook! Bij de haren gepakt en zo eruit gesleurd. Die Harry heeft er zo verschillende gered. Later heeft hij ook een decoratie gekregen.»

 

Boekentas in de hand

Hilda S.is ook door Harry gered. Haar adres vind ik niet meteen, maar ze blijkt toevallig aanwezig in de bloemenzaak van haar dochter. Daar hangt al decoratie voor Valentijn, ook een veertiende februari. Na nog geen vijf minuten vertellen staan moeder (77) en dochter al met tranen in de winkel.

Hilda S. «Toen dat water op dat vlot kwam, week iedereen naar één kant en zijn sommigen hoog op die leuningen gekropen en zo is dat vlot gekanteld. Hadden die tonnen nu een halve meter onder dat vlot uit gestoken, dan was die overzet stabieler geweest, dan was die ramp allicht niét gebeurd.

»Ik zat onder dat vlot gevangen, dat voelde aan alsof ik in een kooi zat, maar ik ben toch weggeraakt, langs zo'n poortje in de zijkant, of langs een andere weg, ik weet het niet meer. Ik was ook bijna verdronken. Ik was al twee keer onder geweest en had Harry mij niet vastgepakt, dan was het gedaan geweest. Die Harry was toen maar tien jaar, die was niet bepaald groot of sterk, maar die is wel kalm en nuchter gebleven.

»En ja, mijn broertje Remyke, die toen acht jaar was, die hebben ze dood gevonden. Ze hadden vader verwittigd: 'Ge moet rap komen, d'r is iets gebeurd met de kinderen op het kanaal,' en toen hij aankwam, was het vlot al op zijn juiste kant gelegd en tussen die houten schotten ziet hij al die kinderen liggen, verstrengeld en dicht op mekaar, en hij ziet twee dunne beentjes in klompen, met caoutchouc onder die klompen.

»De caoutchouc die hij eronder genageld had om de zolen te sparen. En door die caoutchouc wist hij dat het ons Remyke was. Dat was zo erg voor vader en moeder. Een halfjaar eerder was onze Clement, mijn oudste broer, als soldaat omgekomen. Op de allereerste dag van de oorlog.

»Op dat vlot stonden ook twee mannen met hun fiets, en alle kinderen die verdronken waren, hingen aan die volwassenen. Aan hun kleren, aan hun armen en aan hun benen! Dat was één bol, één kluwen van kinderen die aan mekaar en aan die grote mensen geklit waren.

»Want zoiets doet ge als kind, ge zijt in groot gevaar en ge verwacht hulp van die grote mensen. Ze hebben die vastgepakt en niet meer los willen laten. Toen ik boven water kwam, had ik ook mijn boekentaske  nog in mijn handen, ik weet niet waarom, ik heb me ook aan iets willen vastklampen zonder het nog los te laten.

»Ik ben aan de kant gebracht en op mijn blote voeten ben ik over de dijk gelopen naar een huis, en daar zat een jongen die er zelf uit was geraakt en zelf op de dijk was geklauterd: al zijn vingernagels waren weg, zo hevig had ie op die dijk gekrabbeld om toch maar uit dat water te komen!

»Ik ben nog lang ziek geweest van de kou en van dat vuile water. Ik ben zelfs niet naar de begrafenis kunnen gaan van Remykezaligeren van de andere kinderen.»

De ramp van Godsheide: 'Mijn klompen'

Jean «Toen wij uit het water getrokken waren, zaten wij daar op dat vlot te bibberen en gelukkig is er iemand met een ladder gekomen en zo is er een 'brugske' gemaakt tussen dat vlot en de trap op de dijk: wij zijn op handen en knieën naar de kant gekropen. En eerst hebben we nog staan bibberen in het schuilhokje van die werkman en toen kwamen er grote mensen en die sloegen een deken rond ons en namen ons mee.»

Pierre «Wij kwamen bij Jan Schraepen terecht, dat was de elektrieker. In dat huis stond een Leuvense stoof met de bol roodgloeiend, en daar zaten allemaal kinderen rond. En de mensen trokken ons nat goed uit en gaven ons droge kleren.»

Jean «Onze vader werkte als magazijnier bij de Kempische Maalderij in Hasselt, die kwam van zijn werk en die zag een massa volk samen staan op de Genkersteenweg. En één vrouw draaide zich om: 'Jef, hebt gij kinderen die in Godske naar school gaan? Och, Jef toch, het vlotje is omgekiept!'

»En thuis was moeder al verwittigd. Zij zat aardappelen te schillen en daar stoof een nicht binnen: 'Ze zeggen dat 't bootje is omgekipt en dat alle jung zen verdroenke!' Moeder is dan naar 't kanaal gelopen.

»Ze kon de overkant niet zien, zoveel volk stond er te kijken, en dan heeft ze de zes kilometer lange omweg gemaakt via de sluis en onderweg kwam ze Lomtegen, een neef van ons. Die vertelde dat zijn zuske dood was, Marguerite, twaalf jaar oud. Moeder kwam dichter bij het vlot, en zag ze almaar dode kinderen boven halen, die naar de meisjesschool werden gedragen.

»En dan heeft ze ons toch bij Schraepen kunnen vinden. Toen ze ons vastpakte, was het eerste wat ik zei: 'Moeder! Ik ben m'n blokken kwijt!' Want daaraan denkt ge als kind, dat uw ouders kwaad zullen zijn omdat ge die kwijt zijt. Maar zij zei: 'Dat is niet erg, jungske.Zjie zijt er nog!' Dat ik zo bezorgd was geweest over die klompen, dat heeft ze later nog heel dikwijls verteld. Het waren van die mooie geelgelakte, met een rood randeke eraan.»

Pierre «Ha, die klompen! Daar werd ook mee gevochten. Soms sloegen ze mekaar daarmee zo hard tegen de kop dat de houten neus eraf brak.»

Jean «Ja, wij liepen nog op hout en nu lopen ze allemaal op leder. De mensen hebben weelde nu. De mensen mogen niet klagen.»

Pierre «Dokter Peeters heeft ons toen onderzocht en met zijn auto naar huis gebracht.»

Jean (fier) «Dat was de allereerste keer dat wij in een auto zaten!»

 

Kistjes in de kerk

Pierre «Wij waren een klein gezin, wij waren maar met zijn tweeën thuis en wij hebben het allebei overleefd. Dat is bijzonder. Want bij de familie Dekens zijn ze vier kinderen verloren! En bij Vanquaethovendrie.»

Jean «De kinderen die verdronken waren, lagen allemaal samen in de meisjesschool. En dezelfde avond zijn ze nog naar huis gebracht, omdat het toen de gewoonte was de doden thuis op te baren. Dat er zo iemand voor de deur staat met uw dood kind in zijn armen, dat moet vreselijk zijn geweest.

»Drie dagen later was de begrafenis van die twee volwassenen, die zijn elk in hun eigen parochie begraven, en vier dagen later was de begrafenis van die vijfendertig kinderen, en toen moesten we opnieuw van bij ons met dat vlot naar de overkant! Moeder heeft nog jaren verteld hoe bang ik was, ik kneep in haar hand van de schrik.

» En volk dat er was, heel Godsheide zag zwart van de mensen. (toont foto) Dat kleine ventje met die klak, dat ben ik. En hier staat de bisschop van Luik, monseigneur Kerkhofs. Die heeft toen de mis opgedragen (Limburg hoorde toen nog bij het bisdom Luik, jh). 

»Er stonden zoveel doodskistjes dat ze de middenbeuk van de kerk bijna helemaal vulden. En alleen de nauwste familie was toegelaten in de dienst. Wij hadden een nichtje verloren, wij hadden bij die kinderen in de klas gezeten, maar wij mochten er niet in. Er was té weinig plaats door al die kistjes die daar stonden!

»Voor de dienst begon, stopte er een grote voiture met twee Duitse officieren erin, mannen met van die grote klakken op, en die hebben ook een krans in de kerk gelegd.

»Die ramp is overal bekend geraakt. Onze nonkel was krijgsgevangen in Dresden, en zelfs dààr had het in de gazetten gestaan. En nu is er nog elk jaar een herdenking op 14 februari, en daar komt toch altijd veel volk op af.»

 

Heikrabbers

Pierre «Wij zijn na die begrafenis in geen jaren meer in Godsheide geweest. Er zijn hier toen noodklassen ingericht aan deze kant van het kanaal, maar onze ouders hebben ons naar Bokrijk gestuurd, dat was zeker drie kwartier stappen over een heel slechte weg.

»Al zolang ik weet, loopt er een scheiding door dat dorp. Zelfs voor het Albertkanaal Godsheide in tweeën sneed, was er een hogere en een mindere stand. Die van het dorp, die voelden zich beter omdat ze dichter bij de stad, dichter bij Hasselt woonden. En wij die aan de overkant van het kanaal woonden, wij waren in hun ogen de heikrabbers. Daar werd op neergekeken.»

Jean « Alle kinderen die verdronken, waren kinderen van de 'heikrabbers'. Op één meisje na, dat van het dorp kwam en dat één keer per week de overzet nam om bij haar tante te gaan spelen.»

Pierre «Er zijn zeker nog dorpen waar ge zo'n deling terugvindt. En hier zoudt ge denken dat zo'n ramp de mensen dichter bijeen brengt, maar die mentaliteit is toch blijven bestaan. Begin vorige eeuw ondervond ons vader als kind al dat ze op hem neerkeken, en nu zijn we honderd jaar later en dat is nog altijd niet veranderd. Zij zijn 'hét dorp' en wij zijn 'de boerkes'.»

Jean «Toen in 1941 waren het eigenlijk allemààl boerkes. Maar zij waren béter, want zij droegen al een hoed en wij liepen nog met een klak rond.»

De ramp van Godsheide: 'Mijn krullenkopke!'

Op het kerkhof van Godsheide staan kale berken en trekt de regen donkere strepen langs het graniet. Alle kinderen liggen begraven in een afzonderlijk plantsoen. Ik lees de namen van toen: Marcel, René, Jozef, Cyriel, Louisa, Vital, Albert, Victor, Mariette, Hubertina... Ze zouden nu grootvaders en grootmoeders moeten zijn, maar ouder dan een schoolkind zijn ze nooit geworden.

n de roerende grafrede die toen is gehouden, werden ze dierbare kameraadjes, vlekkeloze zieltjes, kleine engeltjes, lieve hemelkinderen, de bloem van onze scholen, de schatten onzer troosteloze ouders en de toekomst van onze parochie genoemd. Het zegt alleen maar dat men taal tekort kwam om het grote verlies onder woorden te brengen.

Tegenover kerk en kerkhof ligt het dorpscafé 'Bij Vieke'. Vieke zelfis intussen 94, ze ligt al een maand in het ziekenhuis en haar dochter Lieve Gelders zegt dat de moeder daar in het witte bed 'soms over niks anders meer vertelt dan over die ramp'.

Dat de pastoor aan haar deur kwam kloppen omdat 'er iets vreselijks was gebeurd aan het kanaal'. En dat ze hem een arm moest geven, want dat hij nog amper kon gaan: 'Met heel z'n gewicht hing ie op m'n arm, die mens was tot in zijn binnenste gebroken'.

Tien dagen later is Vieke thuis, haar geheugen werkt met vlagen, nu eens zingt ze over een schone kerel waarmee ze in het stadhuis gaat trouwen, dan weer staat ze in februari aan het kanaal. De dochter vult de leemtes in, ze heeft alles al vààk horen vertellen.

Vieke «De pastoor kwam kloppen en ik ging mee, en ik had ook droge kleren meegenomen. En och, och, al die vaders en die moeders aan dat kanaal, die liepen daar als zot. En maar roepen op dat water en op die kinderen: Andreke! Reneke! Jefke!

»Bij Rooske (Vanquaethoven) zijn er drie verdronken. En Rooske zag maar andere kinderen boven water halen en de hare waren er niet bij. En ze riep maar op haar jongste: och, och, red mich m'n krullenkopke toch!

»Dat hoor ik ze nog roepen. En ze zijn samen gevonden. Die twee zuskes en dat broerke hadden mekaars handje nog vast toen ze gevonden zijn. Ze hebben mekaar niet los gelaten, daar onder water.

»En Rooske kon er niet bij, drie kinderen dood tegelijk! Mijn tafel, riep ze, mijn tafel is helemaal léég! Och, dat was verschrikkelijk. Verschrikkelijk. Verschrikkelijk.

»Maar Reneke, die leeft nog! Die kleine kon slecht avanceren omdat het riempje van één van z'n klompen kapot was. En hij is te laat gekomen voor het vlot en hij is nog in leven.»

De kleine René Wijnants heeft de ramp dus voor zijn ogen zien gebeuren. Hij was zo aangeslagen dat hij is weggelopen, naar de sluis, en zo naar de overkant waar hij woonde. Onderweg kwam hij tientallen doodongeruste ouders tegen die hem vroegen of hùn kind nog leefde, maar hij was zo in shock dat hij 'tegen geen van hen een woord heeft kunnen spreken'.

Vieke «In de meisjesschool heb ik ook geholpen. De pastoor ging daar rond met de Heilige Olie, om een kruiske te maken op het hoofdje van die kindjes die verdronken waren. En mijn man was gaan helpen aan het kanaal.

»'s Avonds zei de dokter tegen ons: nu hebt ge veel miserie gezien, nu zoudt ge best geen eten maken vanavond of ge gaat overgeven. En ik had toch wat pap gemaakt, en het was wat de dokter gezegd had: we konden niet eten, we moesten overgeven. Ik moest ook altijd maar wenen. Maar ik kon niet meer wenen, het ging niet meer.»

En dan herhaalt ze dat ze droge kleren bij zich had en dat ze erbij was toen de meester haastig was en zijn tram moest halen. Neenee, make, daar waart ge niet bij.

 

Ogen wijdopen

Lucien Schrijvers (71) is een lokale geschiedkundige die in 2002 het boek 'Godsheide. Oudste gehucht van Hasselt' publiceerde, met daarin een belangrijk hoofdstuk dat aan de ramp is gewijd. Als inwoner van Godsheide heeft hij vele ooggetuigen persoonlijk gekend.

Schrijvers «Het Albertkanaal was nog maar enkele jaren gegraven en veel mensen kenden het gevaar niet van dat diepe kanaal, dat direct bij de oever steil bergaf ging naar een diepte van vijf meter.

»En dan was er dat vlot. Dat was gedoemd om te zinken door al het volk dat erop stond. Ik heb de berekeningen gemaakt: gemiddeld 30 kilogram voor de kinderen en 60 kilo voor de volwassenen. Dat is niet te zwaar geschat, hé.

»Wel, er stonden 58 kinderen en vier volwassenen op dat vlot, wat maakt dat die twaalf lege tonnen zo'n tweeduizend kilogram moesten dragen! Al bij het afduwen is er water op dat vlot gespoeld, die kinderen zijn naar de andere kant gedeinsd en zo is het gekanteld.

»Het gegil van die kinderen... Dat moet tot zeer ver te horen zijn geweest. Mensen hebben hun huis achtergelaten met alle deuren open, en zijn zo naar het kanaal gerend. Ik was vijf jaar en alleen thuis, en ook mijn moeder is met mij naar het kanaal gefietst.

»En ik zie nog voor mij dat ze met een mesthaak in dat water aan het dreggen waren. Het koude water heeft de dood nog versneld, want de dagen voordien had er nog dik ijs gelegen op het kanaal. 

»Sommige kinderen hadden het geluk aan hun zij, zoals de broertjes Graulus. Eén jongen raakt op het vlot en ziet een haardos drijven. Hij trekt eraan, het is zijn bijna verdronken broer. En dan ziet hij een tweede haarbos, hij pakt die ook op en het is zijn tweede broer! En alledrie zijn ze levend aan wal geraakt, via die ladder die was uitgeworpen.»

»De man van die ladder was Miel Goris, de molenaar. Hij is 's avonds ook mee geweest toen die lijkjes naar huis zijn gebracht. Dat is grotendeels met een camion van de gemeente gebeurd. Aan het stuur zat een werkman van de stad die 's middags pas had leren rijden, en die zijn weg niet kende op de kasseien en op de donkere hei.

»En zo is dat transport moeizaam van huis tot huis gegaan, met telkens acht kinderen in de open laadbak. Miel zat achterin, heel de tijd voelend aan de kinderen of er misschien toch niet eentje nog leefde! En hij droeg die kinderen binnen bij de ouders, eerbiedig, op zijn open armen.

»Eén kind had de ogen wijdopen en die vader bleef maar zeggen: 'Och, och, zie toch eens hoe het mij nog aankijkt!!' Al dat leed en al dat verdriet, Miel heeft dat van heel nabij gezien: daar moet ge toch een sterke mens voor zijn!

»Het zwaarst getroffen waren de Brugstraat en de Zandstraat, daar moesten dertien kinderen thuis worden gebracht. Rooske Vanquaethoven was die dag jarig, en verloor drie van haar kinderen. En Dreke Peeterswas net 13 geworden. Ze hebben het nagekeken: hij was rond vier uur geboren en hij is ook rond vier uur verdronken.

»En toen Drekes grootvader vernam dat zijn kleinzoon gestorven was, is hij van emotie ook binnen een paar minuten overleden. En zo zijn er nog twee zieke mensen van de parochie diezelfde dag gestorven, overmand door dat tragische nieuws. Bij Vanquaethoven is tien maanden later nog een dochtertje gestorven.

»Weggekwijnd omdat ze twee zusjes en een broertje verloren had. Vader Vanquaethoven is enkele jaren later ook van verdriet gestorven.

»Moeder Dekens, die vier kinderen verloor, was in verwachting, en dat is een miskraam geworden. En zo bleef die ramp maar uitdijen, daar kwam geen einde aan die droefenis. Alles bij elkaar waren achtentwintig gezinnen getroffen. En veel van die gezinnen woonden aan het kanaal. Als ze door het raam keken, zagen ze dat donkere water en die plaats waar dat vlot gelegen had...»

De ramp van Godsheide: Dood op tafel

En dat ik ook maar eens naar Wiemismeer moet gaan, 'daar woont een verpleegster uit Hasselt die als één van de eerste hulpverleners bij het kanaal kwam.' Hij geeft me het adres en een week later zit ik tegenover Yvonne Laemen (86).

Door ziekte kan ze al jaren het huis niet meer uit, maar toen was ze nog jong én zat ze op de fiets: 'De wagen van de brandweer passeerde mij en ik dacht: oei, er is iets gebeurd, misschien kan ik gaan helpen. En ik ben de wagen gevolgd. Niet dat ik zo rap kon rijden, maar het was toen nog stil op straat, die sirene was nog héél ver te horen.'

Yvonne Laemen «Bij Godsheide zag ik al die vaders en moeders langs de oevers staan. Die mensen waren gek van verdriet, dat was één schreien en roepen tegen de brandweer: maar doe toch iets! maar help dan toch! (krijgt het moeilijk) Ziet ge, dat waren allemaal simpele boerenmensen, en zo ten einde raad. Maar het was al te laat. Ik zag al lijkjes op die schuine dijk liggen.

»We hebben de dode kindjes dan naar de meisjesschool gedragen. Op de brancard konden twee kindjes liggen, zo klein waren ze nog. Die ouders liepen langs ons mee, en zo de school binnen, en maar wenen en schreien. Dat is toch niet mogelijk, dat is toch niet mogelijk! Ons kindjes! Ocharme, ons kindjes!Ik was nog te jong, ik had toen geen kinderen, maar ik was ook aan het grinsen, meneer.»

In Godsheide ging een verhaal dat sommige dode kinderen in de meisjesschool niet op de vloer zijn gelegd, maar uit plaatsgebrek in de schoolbanken zijn gezet: met hun hoofd op hun armpjes 'net of ze in de klas stilletjes lagen te slapen'. Maar dat kan Yvonne Laemen zich niet herinneren.   

Laemen « Volgens mij lagen ze toch op de vloer van de klas. 's Avonds ben ik nog mee de dode kindjes thuis gaan brengen, met de brandweerwagen. De dokter was er ook bij, dat moest zo, hij moest de mensen kalmeren. Maar kalmeren, dat gaat zomaar niet.

»Ik was ook verpleegster bij die grote ontploffing van de Produits Chimiquesin Tessenderlo (14 april 1942 - 198 doden). En ook zovele jonge boerenkinderen dood, meneer. Dood op hun veertiende. Amper naar school geweest en maar ineens gaan werken van de armoe.

»En radicaal een arm, een been of de kop eraf, en helemaal verbrand! Zo'n verschrikkelijke ramp! En hoe moet ge dat gaan zeggen bij die ouders ?! Dat kùnt ge niet uitleggen, dat is niet mogelijk!

»En zo stonden we met die vier kindjes bij Dekens. Och meneer, die mensen hadden niet veel meer dan hun kinderen, en dan verloren ze die ook nog! En ge komt in dat huizeke. En ge kijkt eens rond waar die kindjes moeten liggen, en ik zag niks anders dan wat schamele bedjes en dus hebben we die kinderen maar op de tafel gelegd. Op de tafel waar ze moesten eten. (schudt het hoofd)Zo'n armoe toch. En ge denkt aan het troosten van die vader en die moeder, maar dat ging niet, want ik weende evenveel als zij.

»Zo goed als dat ging, hebben we die kinderen dan gewassen en gesoigneerd: die twee jongetjes hebben we in een kostumekegestoken en die twee meisjes in een wit kleedje. En dat weet ik nu niet meer: waren dat witte kleedjes van de processie, of waren dat hun eigen eerstecommuniekleerkes, dat kan ik me niet herinneren.»

En zo zit er een kleine witte vlek in haar verhaal en in het zwartste van haar dagen.

En wit, wit is altijd schoon.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven