In memoriam: Chuck Berry (1926-2017)

Berry was een opportunist. Nadat hij op jonge leeftijd aan den lijve ondervindt dat diefstal en misdaad vlugger naar de gevangenis dan naar roem en rijkdom leiden, wordt hij timmerman. Want iedereen heeft een stoel nodig om op te zitten, en een tafel om aan te eten. In zijn vrije tijd speelt hij gitaar - blues, T-Bone Walker, Muddy Waters – en bestudeert hij de hitparade. Hij stelt vast dat vele van de populairste songs in de vroege jaren vijftig een ritme hebben dat sterk doet denken aan ‘I Got Rhythm’ van George Gershwin. Swing-muziek. En blues + swing = rock ‘n’ roll. In 1953 stelt Berry zich voor aan het Johnny Johnson Trio: een bassist, een drummer en Johnny Johnson aan de piano. Ze zijn niet op zoek naar een frontman, maar vanaf dan hebben ze er één. Het is met hen dat opportunist Chuck Berry zijn grootste hits schrijft, al staat er bij de song-credits maar één naam. Keith Richards zou later fijntjes opmerken dat bijna alle Chuck Berry-songs in kruis- of bemol-toonaarden staan: typische piano-toonaarden. Oftewel: Johnny Johnson-toonaarden. Johnson, een wat lammige goedzak die geweldig kon boogie-woogieën, vindt het allemaal goed. ‘Chuck schreef alle songs,’ zei hij ooit. ‘Hij vroeg me om met muziek in een bepaalde stijl op de proppen te komen, en daar verzon hij dan verhaaltjes bij’. Johnny Johnson overlijdt in 2005.

Ook de verhaaltjes die Chuck verzint, worden geschreven met de rekenmachine bij de hand. Platen worden in de fifties gekocht door jonge mensen, en die zijn voornamelijk geïnteresseerd in sex, auto’s, muziek en trouble. En dus worden dat de onderwerpen waar Chuck over zingt.

Maar Chuck houdt ook van poëzie, leest in tegenstelling tot veel van zijn collega-wildemannen weleens een boek, waardoor zijn schijnbaar luchtige niemendalletjes vol heerlijke weerhaken en verrassende plotwendingen zitten, en prachtige miniatuurtjes worden. Toen ze Allen Toussaint eens vroegen of het misschien door de invloed van Bob Dylan was dat zijn teksten in de jaren zeventig poëtischer en diepgaander waren geworden, antwoordde hij: ‘Nee hoor, mijn grootste invloed als tekstschrijver en verteller is en was Chuck Berry. Neem een song als ‘You Never Can Tell’: wat een prachtig verhaal is dat! The man is a mountain’.

Bob Dylan noemde Berry ooit ‘The Shakespeare of rock ‘n’ roll’, en toen Berry in 2012 de ‘Songs Lyrics of Literary Excellence’-award in ontvangst mocht nemen, verklaarde Leonard Cohen: ‘All of us are footnotes to the words of Chuck Berry’.

De voorteffelijke muziekschrijver Peter Guralnick (schrijver van meesterwerkjes als ‘Careless Love’ en ‘Last Train to Memphis’) hield in een recent essay voor Rolling Stone – met de prachtige titel ‘Why Chuck Berry is even greater than you think’ – de loep boven de Berry-song ‘Nadine’: ‘Heeft iemand ooit een perfectere popsong geschreven dan ‘Nadine’? Een meer catchy verhaallijn met meer humor, in vier strofes en een refrein? Waarin de protagonist wordt geïntroduceerd met de woorden: ‘Pushing through the crowd trying to get to where she’s at / I was campaign shouting like a Southern diplomat’. Ik bedoel, komaan zeg! En de song wordt vanaf dan alleen maar beter!’.

Een andere regel uit ‘Nadine’ luidt: ‘I saw her from the corner when she turned and doubled back / And started walkin’ toward a coffee colored Cadillac’. Daarover zei Bruce Springsteen ooit: ‘Ik heb nog nooit een koffie-kleurige Cadillac gezien, maar dankzij Chuck Berry weet ik perfect hoe die eruit ziet’.

Dat Berry niet de gemakkelijkste was om mee samen te werken, weet Spingsteen uit eerste hand. Sinds de seventies speelt Chuck voornamelijk met pickup-bands, groepen die door de organisator moeten aangeleverd worden, en vertrouwd moeten zijn met ‘s mans oeuvre. Een piepjonge E Street Band is in 1973 zo eens zowel het voorprogramma van Chuck als de hoofdact in zijn rug. In 1995, als Springsteen al meer dan tien jaar wereldberoemd is, doen ze dat nog eens over. Tijdens de laatste bis, ‘Rock and Roll Music’, laat Chuck zien wie de baas is. Nils Lofgren (E Street Band-gitarist): ‘Zo’n twee minuten ver in de song verandert Chuck ineens het ritme en de toonaard van de song, zonder eerst teken te doen of naar ons te kijken. De hele band collectief de mist in, voor een vol stadion. Niemand die weet waar het naartoe moet. En dan ineens draait Chuck zich naar ons toe, geeft een knikje met zijn hoofd, en begint naar de zijkant van het podium te duckwalken. En terwijl wij daar staan te sterven in zes verschillende toonaarden, wandelt hij van het podium, stapt in zijn auto en rijdt weg. Ik denk niet dat we sinds ons dertiende of veertiende nog deel hadden uitgemaakt van iets wat zo muzikaal beschamend was’.

Wie het allemaal met eigen ogen wil zien, moet (moét!) maar eens naar ‘Hail! Hail! Rock ‘n’ Roll’ kijken, mijn allerfavorietste muziekdocumentaire, en het relaas van twee concerten die Keith Richards in 1986 organiseerde naar aanleiding van de 60ste verjaardag van Chuck Berry.

Wie het wil horen, mag naar ‘The Great Twenty-Eight’ grijpen. Een verzamelaar uit 1982 die enkel een beroep doet op Berry’s eerste tien jaren: van 1955 tot 1965. Hij heeft daarna nog geschreven, maar het belangrijkste was er dan al uit. Tien jaar, 28 songs: geen oeuvre in de popmuziek dat zwaarder weegt.

Ik zou als afsluiter eender wie kunnen citeren die de afgelopen 24 uur al tweetend een diepe buiging maakte voor Chuck, maar laten we de eer aan Rod Stewart laten: ‘It started with Chuck Berry’.

Humo's muzieknieuws in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven