Concertreview: Mumford & Sons op Pukkelpop 2017

, door (tr)

Het moet gezegd: van alle Galliërs was Marcus Mumford zaterdag de dapperste, en trok hij, zoals het een multinational betaamt, het grootste publiek. Hoe het dan komt dat Mumford & Sons met het slechtse geluid van de hele Pukkeleditie af te rekenen kreeg, is ons echter een raadsel. En dan hebben we het niet, voor u weer met toortsen en hooivorken onze richting uitgemarcheerd komt - waar bewaart u die dingen toch? - over wàt er gespeeld werd. We hebben het over hoe wat gespeeld werd de afstand aflegde tussen podium en oren. De stem van Marcus Mumford die disproportioneel luider galmde dan al de rest, bijna blikkerig, alsof hij de hele vijf kwartier op het hoofdpodium door een megafoon stond te schreeuwen. De schakelaar op het podium stond op 'Stadion', de laatste jaren heeft die dan ook zelden op iets anders gestaan.

'Zo'n succes, en toch bescheiden gebleven', dachten we toen Mumford nog 'ns zelf achter de drums kroop om 'Lover of the Light' van een ritme te voorzien. Een gedachte die we iets later toch hebben moeten bijschaven: Mumford & Sons is immers niet langer dat sympathieke banjoclubje dat op zaterdagnamiddagen vergadert in de plaatselijke pub. Het is een zaak geworden, en Marcus Mumford een zaakvoerder - maar dan zonder de oprechtheid die pakweg een Tom Smith daarbij wel uit z'n mouwen schudt ter compensatie.  Hij mag dan wel beweren dat Pukkelpop tot z'n drie favoriete festivals behoort (de andere twee waren Pinkpop en Lowlands) bij het horen van dat nieuws barstte Herman vast in bittere tranen uit: had Marcus bij zijn laatste doortocht op zìjn hoofdpodium immers ook al niet beweerd dat Werchter altijd een speciaal plekje zou hebben in z'n ruime hart? En kijk nù wat er waar van was.

Ook gezien: de Mumfords die zich, vrijwel als uitzondering dit jaar, nog bezondigden aan het tot op de draad versleten trucje om de publiekshelften tegen elkaar uit te spelen. Natuurlijk wil u altijd luider geroepen hebben dan de overkant, maar waar Mumford & Sons ooit uitblonk in het nederig blijven bij al die bijval die ze over de kop uitgestort kregen - vier jaar geleden stonden ze nog te blozen toen een overvol Sportpaleis hen nog net niet hun eerstgeborenen schonk - lijken ze het vandaag niet meer dan normààl te vinden dat u hen adoreert, en doen ze er intussen ook niet meer moeite voor dan nodig. Marcus Mumford die met de microfoon in de hand de eerste rijen gaat opzoeken: ooit leek het ondenkbaar, en nu het wel gebeurde voelde het nooit helemaal koosjer aan. Meer Bastille dan banjo. Goeie klantenbinding, dat wel.

Was het misschien uit noodzaak, die trucjes? Was de muziek zelf niet meer voldoende om het klaar te spelen? Stilaan leek het daar inderdaad op. Wie het enthousiasme voor hun debuutplaat halveert, en dan nòg eens, krijgt een goed idee van hoezeer mensen stonden te wachten op de nummers die Mumford meegebracht had vanop 'Wilder Mind'. Dat de hoogtepunten van de hele set 'Little Lion Man', 'The Cave', en 'I Will Wait' waren, en dat al wat daartussen kwam door het grootste deel van het publiek werd opgevat als 'Even dit uitzitten, en dan komt misschien 'Little Lion Man, 'The Cave' of 'I Will Wait'', zegt veel, zoniet alles. Het gastoptreden van First Aid Kit tijdens 'Awake My Soul' was ook te verdienstelijk om niet te vermelden: de dames werden door Mumford onthaald als familie - want op de prairie is nu eenmaal iederéén familie. Dat is ook waarom er zoveel lelijke kinderen rondlopen.

Verwarrend: Mumford & Sons hebben na drie platen alle knoppen aan hun formule naar het maximum gedraaid, alleen de oprechtheid en de betrokkenheid hebben ze - misschien wel ter compensatie - teruggeschroefd. Daar raken ze mee weg, want een mens gaat ook niet naar McDonalds voor de hartelijke bediening. Maar kreeg u er in ruil de beste hamburger voor? En is het niet vooral jammer dat we muziek op den duur moeten vergelijken met fastfood?

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven