Ergens in 2007, op een morsige avond, zat Paul Auster blanchkes te drinken in het Brusselse café Kafka. Dat blijf ik nog steeds een fijne gedachte vinden, en wel om drie redenen. Eén: in dat doffe maar hoogst aimabele rookhol heb ik zelf ook weleens mijn lever benadeeld. Twee: is het niet charmant dat Auster klaarblijkelijk ook in zijn kroegkeuze de afgod Literatuur eert? En drie: Auster moet toen - de patron van het café herinnert het zich nog goed, hij had slechts een halve bak Orval uit - de nacht gedood hebben met erudiete gesprekken over kunst, muziek en literatuur, zonder de argeloze lapzwanzen aan de toog zijn identiteit en bijbehorende staat van verdienste te onthullen.
Lees de review van Onzichtbaar