De Tand Des Tijds: 'Darkman' (Sam Raimi, 1990)

, door (es)

Een mens kan het zich in deze tijd van florerende superhelden amper voorstellen, maar in de late jaren tachtig namen de Hollywoodstudio’s het superheldengenre niet echt serieus en diende het publiek het van de weeromstuit te stellen met zich in het domein van de pure camp ophoudende films als ‘Superman IV: The Quest For Peace’ en – ja, het genre komt van ver – ‘Howard The Duck’. In 1989 zorgde ‘Batman’ voor een eerste kentering: die film heeft de tand des tijds vanwege té onsamenhangend en een té clowneske Jack Nicholson weliswaar minder goed doorstaan dan algemeen wordt aangenomen, maar Tim Burton was niettemin één van de eersten om het immense potentieel van het rijke comicbook-reservoir wat dieper aan te boren.

In het zog van het monstersucces van ‘Batman’ kwam ook de toen dertigjarige Sam Raimi aanzetten met een door hemzelf uitgedachte superheldenmythologie. In een laboratorium dat er in 1990 hoogtechnologisch moet hebben uitgezien, maar dat anno 2017 even gedateerd oogt als een Commodore 64, werkt wetenschapper Peyton Westlake (Liam Neeson) samen met zijn Aziatische assistent aan een revolutionaire uitvinding: artificieel huidweefsel. Voorlopig zonder veel succes: de in het labo gekweekte neuzen en oren blijken niet stabiel en beginnen na 99 minuten in hun staalpotjes om onverklaarbare redenen te veranderen in een gele brij. Dankzij een stroompanne, die de lampen in het labo laat uitvallen, gaat Peyton een licht op: blijkbaar kunnen de cellen van zijn kunstmatig opgekweekte huid alleen in de donkerte overleven. Wat hem tot de volgende mijmering brengt: ‘Wat is het duister? Welk geheim heeft het?’ Een zinnetje dat ons doet denken aan die ene geheimnisvolle frase uit ‘With A Little Help From My Friends’ van The Beatles: ‘What do you see when you turn out the light?/I can’t tell you but I know it’s mine’. Wat later krijgt Peyton het bezoek van Robert G. Durant (de schitterend onderkoelde Larry Drake), een gangster die klaarblijkelijk op zoek is naar een belangrijk document: ‘Zeg ons waar het memorandum is, en we verdwijnen weer – als een nachtmerrie voor het licht.’ Heerlijk toch wanneer een booswicht een endje poëzie aan zijn dreigementen breit.

Enfin, de Aziaat wordt door één van Durants trawanten ‘geventileerd’, Peyton neemt een onvrijwillig bad in een ketel vol borrelend chemisch zuur, en het labo gaat – samen met Peyton - de lucht in. Mankend als de klokkenluider van de Notre Dame, omzwachteld als een mummie en weeklagend als het monster van Frankenstein trekt de nu gruwelijk verminkte Peyton zich terug in een verlaten fabrieksgebouw, waar hij met behulp van enkele uit zijn vernielde laboratorium gerecupereerde machines zijn onderzoek hervat. Op dat moment liggen alle ingrediënten voor een klassiek superheldenverhaal klaar: een driedubbel trauma (labo kwijt: veel verloren. Huid kwijt: veel verloren. Lief kwijt: alles verloren), een outfit (een over zijn windsels heen gedragen zwarte hoed en regenjas), een superkracht (zijn oncontroleerbare innerlijke woede verleent hem een enorme kracht), een hoofdkwartier (de fabriek) en uiteraard een knoert van een wraakmotief.

De twist die Raimi aan het kooksel geeft, is dat Peyton niet uitgroeit tot een superheld die al zwierend door de stad de wereld redt, maar tot een zich door steegjes en riolen voortstrompelende wraakdemon die op gruwelijke wijze afrekent met de booswichten die zijn leven hebben verwoest. In één van de beste scènes, een scène waarin Raimi’s liefde voor de horrorklassiekers van weleer in een dichte regen van het scherm spat, zien we Peyton in de nok van een kathedraal tussen twee zwarte waterspuwers zitten en horen we hem – uiteraard terwijl de donder en de bliksem tekeergaan – vertwijfeld uitroepen: ‘Oh God, wat ben ik geworden?!’ Neen, een Avenger zal de totaal vereenzaamde en door existentiële twijfels verteerde Peyton wel nooit worden.

Wie vandaag naar ‘Darkman’ kijkt, ziet een rariteit: een film die het midden houdt tussen speelse superheldenflick, fantasierijke horrorprent, en waanzinnig grappige satire, met de ‘Ik heb nog zeven punten’-scène met Robert G. Durant als komisch hoogtepunt (dit is de toon die ‘The Mummy’ met Tom Cruise onlangs ook poogde aan te slaan, maar hopeloos missloeg). Het moet zijn dat Raimi tijdens de opnamen van ‘Darkman’ met zijn hoofd voor een stuk nog steeds bij ‘The Evil Dead’ en ‘Evil Dead 2’ zat, de films waarmee hij enkele jaren eerder twee grote cultsuccessen had geboekt: ook die twee pareltjes werden gekenmerkt door een duivelse mix tussen horror en boosaardige humor.

Maar ook Raimi zou volwassen worden: samen met de ‘X-Men’-films van Bryan Singer gaven zijn ‘Spider-man’-films uit 2002 en 2004 het superheldengenre een flinke duw richting meer gravitas (Christopher Nolan maakte de klus af met zijn topzware ‘Batman’-trilogie). Maar wie eens kennis wil maken met een originele superheld die in geen enkele van de bekende universums thuishoort, Marvel noch DC, mag altijd een regenjas aantrekken en teruggrijpen naar ‘Darkman’. ‘Peyton is niet meer. Ik ben iedereen en niemand. Overal en nergens. Noem me... Darkman.’ 

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven