Film Fest Gent - Deel 2: We mochten onze eerste écht goeie prent noteren!

, door (vvp)

1200

Voorlopig nog nergens meegesleurd in een debat over Eric Röhmer of de techniek van de entfesselte Kamera, maar tóch al een stuk of wat goeie films gezien. So far, so good!

We hebben zelfs onze eerste écht goeie prent mogen noteren, zo één waarvan je tot in de kleinste porie van je pink voelt dat de maker met bezieling, passie en nóódzaak achter de camera stond: ‘The Shape of Water’, van Mexico’s beste exportproduct sinds tequila, Guillermo del Toro. Del Toro is niet altijd een even consistente filmmaker – soms lijkt hij wat té veel van zijn eigen feeënstof te hebben gesnoven – maar met zijn nieuwste film, die in Venetië met de Gouden Leeuw ging lopen, heeft hij nog eens de bloedvorm van ‘El laberinto del fauno’ te pakken. En wanneer hij op dat niveau is, is hij – sorry, Peter Jackson! – de beste fantasyregisseur ter wereld.

Net zoals bijna ál zijn films is ‘The Shape of Water’ in de eerste plaats een fabel, een modern sprookje dat zich deze keer afspeelt in de Koude Oorlog anno 1962. Sally Hawkins speelt een stomme vrouw (i.e. ze kan niet spreken) die verbroedert met haar eenzame buurman  (een uitzonderlijk mooie Richard Jenkins) en samen met haar collega (Octavia Spencer) als kuisvrouw werkt in een ondergronds overheidslab, waar een kwaadaardige veiligheidsagent (Michael Shannon) de plak zwaait. Haar leven verandert wanneer ze merkt dat er in de tank in een geheime kamer van het labo een ‘Creature from the Black Lagoon’-achtig wezen schuilt, met wie ze stukje bij beetje een band opbouwt.

Veel méér hoeft u niet te weten om de datum waarop de film eindelijk officieel in de Belgische bioscopen zal komen, met een rode viltstift te omcirkelen. Nog dit: zoals altijd focust Del Toro niet op traditionele, spierbalrollende helden, maar wel op de mensen die door de geschiedenis vergeten zijn – de stommen, de zwarten, de andersgeaarden – en zo maakt hij van 1962 (het America dat ze bedoelen wanneer ze zeggen: ‘Make America great again’) een aardedonkere weerspiegeling van ons eigen tijdsgewricht. Bovendien heeft hij zijn magisch-realistisch portaaltje naar vroeger opgetrokken uit échte sets, échte rekwisieten en een écht, prachtig vormgegeven monster. Er hangt over elke scène een tedere, poëtische sluier en de film bevat ook nog eens één van de mooiste, meest romantische scènes van het jaar: u weet het zo wanneer u ’t ziet. Muy bien!

Van een zwierige toverwereld naar de harde realiteit: zo gaat dat op filmfestivals. We gingen kijken naar ‘Final Portrait’, de nieuwe film van acteur Stanley Tucci; al zijn vijfde sinds hij voor het eerst regisseerde in 1996 én de eerste waarin hij niet zelf te zien is. Wie is Tucci? Als u de laatste tien jaar een film hebt gezien met een flamboyant homopersonage, is de kans groot dat hij het was, en anders kent u ‘m wel als Caesar Flickerman, de presentator met z’n vlammend paarse coupe uit ‘The Hunger Games’.

Als onderwerp koos hij ditmaal de beroemde Zwitserse schilder-beeldhouwer Alberto Giacometti, vertolkt door klasbak Geoffrey Rush, die zich zo voor het eerst in lange tijd nog eens volledig kan vastkleven aan een Groot Personage – een koppige, chaotische, onzekere, maar ook innemende oetlul van een Artiest. Iemand waar een acteur graag z'n vers geslepen tanden inzet, quoi.

Alleen jammer dat Tucci nu ook weer niet zo gek veel over Giacometti te melden heeft. Hij deed er goed aan om te focussen op één specifieke periode uit zijn leven – zijn laatste dagen, toen hij met het portret van een jonge schrijver in de knoop lag – maar hij puurt er maar weinig essentiële informatie uit. Daarbij laat hij visueel gezien toch het één en ander liggen. Het verhaal speelt zich af in 1964 in Parijs: het Europa uit de films van Jacques Demy en Federico Fellini. Wat dus zou moeten opleveren: schwung! Kleur! Spanning! Decadentie! Frivoliteit! Magie! Maar Tucci koos in de plaats voor een vale, bruingrijze filter: wég sfeer. Dat er weinig meer dan twee locaties aan bod komen (Giocometti’s atelier en het café waar hij zich ging bezatten met zijn vaste hoertje), dat de scènes met het portret alsmaar in herhaling vallen (‘fuck!’ roept hij wanneer het mislukt) én dat het slot een behoorlijke anticlimax is, helpt ook niet. Maar de acteerprestatie, die mag er zijn.

Even een Nespressootje binnen gekapt om wakker te blijven en dan op naar de volgende voorstelling: de nieuwe van George Clooney, nóg zo’n acteur die er al geruime tijd een duobaan op nahoudt.

Zijn ‘Suburbicon’ speelt zich af in het fictieve Amerikaanse dorpje uit de titel, in de jaren 50. Groene gazonnetjes, witte hekjes: u kent het wel. Het leven ginds wordt evenwel flink op zijn kop gezet wanneer er voor het eerst – God de lieve Heer nog aan toe! – een zwárt gezin komt intrekken. Het echte drama speelt zich evenwel af bij de buren: daar is Matt Damon een brave huisvader die samenwoont met zijn vrouw en haar tweelingzus (twee keer Julianne Moore), en zijn zoontje. Het noodlot slaat toe wanneer twee inbrekers het huis binnensluipen en iedereen met chloroform verdoven. De dosis bij Matts vrouw is echter te zwaar en zij komt te overlijden. Wanneer de verzekeringen zich komen moeien, blijkt dat het hele zaakje stinkt als een open riool.

Clooney trekt hier volop de kaart van de satire en de zwarte komedie, en daarvoor kreeg hij de hulp van twee experten ter zake: Joel en Ethan Coen, die meeschreven aan het scenario. Je kan er donder op zeggen dat die paar schlemielige oneliners die de film rijk is, van hun hand zijn. Maar goed, zij hebben deze materie al zo váák behandeld, en wij konden ons niet van de indruk ontdoen dat we hier naar een flauw doorslagje van ‘Fargo’ zaten te kijken, maar dan in de fifties. Plus: hebben we dat tijdsgewricht de laatste tijd (in ‘It’, maar ook nog in ‘Hail, Caesar!’ van – alwéér – de Coens) nog niet genóég herdacht? Zijn er nog niet voldoende films (zie: ‘American Beauty’, ‘Blue Velvet’, 'Edward Scissorhands', ‘Revolutionary Road’) die met een spade onder de verzorgde hofjes van grootstedelijk Amerika graven, op zoek naar het venijn dat er begraven ligt? Clooney reikt niet alleen naar zijn vrienden de Coens, maar ook naar Alfred Hitchcock en Douglas Sirk. Alleen: hij geraakt er niet.

Erger is dat de film ook als een luchtig verteerbaar tussendoortje botweg niet goed genoeg werkt. De opbouw is een rommeltje – de plot met het zwarte gezin werd er achteraf schijnbaar met een nietjesmachine aangeprikt – en zowel de humor als de spanning schieten hun doel véél te vaak voorbij. Individuele scènes werken soms wel (zoals dat geinige stukje waarin Oscar Isaac als verzekeringsagent een bezoekje brengt aan Julianne Moore), maar in het totaalplaatje, de manier waarop het verhaal van punt a naar punt b gaat, hóór je de verroeste radertjes van de plot piepen dat het geen naam heeft. En zo kan je je na afloop toch ietwat bezorgd beginnen af te vragen: is George het kwijt? Hoe komt het? Ligt het aan het feit dat hij nu getrouwd is? Haalde hij zijn superkrachten vroeger uit z’n supermodellen, misschien? Of wat is ánders de reden dat hij op twaalf jaar tijd maar één goeie film heeft afgeleverd (‘The Ides of March’)? Misschien toch maar eens Douwe Egberts proberen!

Intussen hebben we hier zaal 10 van de Gentse Kinepolis volledig ingepalmd. Ons bedje staat er, we hebben onze baxter met vloeibare M&M’s aangesloten – een mens moet íéts eten – en ’s nachts dwalen we rond in de catacomben van het complex zoals Lon Chaney in ‘The Phantom of the Opera’. Kom gerust eens dag zeggen. Morgen: een Italiaanse klassieker, een Vlaams stukje slow cinema én een film die George nog wat kan leren over zwartkomische americana. Slaapwel!

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven