Film Fest Gent - Deel 6: Die gekke toiletpotten die in musea op sokkels staan, betékenen die eigenlijk nog wel iets?

, door (vvp)

1200

We hebben onze eerste vluchtpoging achter de rug, maar op het laatste nippertje, toen we de benevelde dampen van de Overpoort – de geur van de vrijheid! – al konden ruiken, wist de hoofdredacteur ons nog net bij het nekvel te grijpen. Heden zitten we gekneveld in Zaal 10, op een stoel zoals die van Malcolm McDowell in ‘A Clockwork Orange’, en kijken we naar de films die ons voorgeschoteld worden. Wat anders?

Zo kwam het dat we in de zaal zaten toen daar ‘De kleine vampier’ werd afgespeeld, een Europese animatiefilm die op de kleinsten, maar dan ook echt de allerkleinsten mikt. Hij gaat over de 13-jarige Anton die op vakantie met zijn ouders het vampiertje Rudolph tegenkomt. De twee kunnen het meteen met elkaar vinden, maar hun families moeten daar niet van weten, en ondertussen is er ook nog een kwaadaardige vampierenjager die jacht op hen maakt.

Jammer genoeg heeft ‘De kleine vampier’ dubbele pech: ten eerste is de gemiddelde Pixar-animatiefilm inmiddels zo hoogtechnologisch vergevorderd – in elke aflevering worden honderden miljoenen gepompt – dat deze film er heden uitziet als het knullige voorgangertje van de eerste ‘Toy Story’. Ten tweede is er met de ‘Hotel Transylvania’-films al een veel léúkere vampierenanimatiereeks om uw tanden in te zetten.

Langs de andere kant is het moeilijk om hier kwaad op te zijn: voor kinderen is het allemaal meer dan goed genoeg. En ook al zijn de dialogen mateloos gedateerd – ‘cool’ is het hippe woord dat door de vampiers geïnterpreteerd wordt als ‘koel’: haha! – er zaten toch een paar leuke filmverwijzingen in. Naar de eerste ontmoeting van Humphrey Bogart en Lauren Bacall in ‘To Have and Have Not’, bijvoorbeeld (‘Je weet toch hoe je moet fluiten? Gewoon je lippen tegen elkaar zetten en blazen’) en naar de finale van ‘Some Like It Hot’. Op een filmfestival mag je zoiets al eens noteren.

Maar de film van de dag, het werkstuk dat ons tegelijk uitgeput én opgekikkerd heeft, is natuurlijk de imposante Gouden Palm-winnaar van dit jaar: ‘The Square’, van de getalenteerde Zweedse cineast Ruben Östlund, over wie ooit in Humo werd geschreven dat hij ‘het ijzige observatievermogen van Michael Haneke combineert met de kurkdroge humor van Roy Andersson’. In ‘The Square’ is het niet anders: cynisme en plaatsvervangendeschaamtehumor lopen er hand in hand.

Het wereldje waar Östlund dit keer zijn pijlen op richt (na de skiresorts van ‘Turist’), is er één waar hij zelf onbeschaamd deel van uitmaakt: dat van de hoge kunst. Hij baseerde ‘The Square’ zelfs op zijn eigen kunstinstallatie met dezelfde naam: een vierkant waarin iedereen kan gaan staan, en waarin andere wetten gelden dan in de grauwe werkelijkheid – namelijk die van compassie, medeleven en behulpzaamheid. In de film wordt dat werk aangekocht door een museum, dat meteen een promocampagne moet uitdenken. Museumdirecteur Christian (Claes Bang) is er tijdens het brainstormen evenwel niet helemaal bij omdat zijn gsm werd gestolen.

Zo begint een reeks vignetteachtige set pieces die allemaal draaien rond dezelfde thematiek. We proberen ‘m even voor u samen te vatten, zonder meteen een vat Arthur Danto open te trekken: kan kunst de maatschappij nog iets bijbrengen – laat staan veranderen – of is het gewoon een geruststellende spiegel waar de elite haar eigen ruimdenkendheid en intelligentie in kan herkennen? Of ook wel: die gekke toiletpotten die in musea op sokkels staan, betékenen die eigenlijk nog wel iets? Östlund steekt gretig de draak met kunst op zich (enkele hopen grind die deel uitmaken van een installatie worden gestofzuigd door de schoonmaker), maar vooral met het decadente circus daarrónd. De film bevat een heleboel vals glimlachende types in designerpakken die zelf maar al te goed lijken te beseffen dat ze de kleren van de keizer verkopen; lucht in een zakje met een mooi label. Als kunst niks meer waard is, dan is het hún schuld.

Het leuke is dat je geen cursus kunstfilosofie achter de rug moet hebben om méé te kunnen gniffelen: ‘The Square’ is gelukkig niet even pretentieus als z’n aalgladde hoofdpersonage. Wij lagen in een halve deuk bij de scène waarin Christian met z’n onenightstand Anne (Elisabeth Moss) discussieert over wie het gebruikte condoom in de vuilbak zal kieperen, en de scène waarin een aapman-acteur een chic dinertje komt terroriseren, is nú al legendarisch; een op en top surrealistisch meesterstukje dat grappig begint en ontaardt in iets dat oprecht ongemakkelijk maakt, ver ver vér voorbij de grens van het sociaal comfortabele. Make no mistake: het is díé scène die Östlund de Gouden Palm opleverde.

Want dat gebiedt de eerlijkheid ons nog te zeggen: ‘The Square’ is goed, maar ook veel te lang en enorm chaotisch, vol scènes die hun doel voorbij schieten, en met een slotakkoord dat er eigenlijk helemaal geen is. Denken wij dan maar: liever een half geschifte cineast die zijn kruit in één keer verschiet, die zijn canvas als een bezeten Jackson Pollock zit te bekladden (insteek: gooi alles naar de muur en kijk wat blijft plakken), dan een inspiratieloze beroepsfilmer die netjes binnen de lijnen kleurt.

En kan er nu iemand langskomen met de oogdruppeltjes? Dank u!

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven