Film Fest Gent: Deel 7 (slot): 'De limiet is bereikt, het cultuurkannetje is tot aan de rand gevuld'

, door (vvp)

vrijbeeld

Het is zover! De kettingen worden losgemaakt, de pamper mag uit, wij kunnen eindelijk nog eens de frisse nazomerbries over onze huid voelen waaien: Film Fest Gent gaat nog héél even door, maar ons parcours zit erop. De limiet is bereikt, het cultuurkannetje is tot aan de rand gevuld. Maar voor we onherroepelijk afscheid nemen – alleszins tot morgen of zo, want dan zitten we allicht toch weer in de donkere zaal – hebben we hier nog drie laatste films voor u in petto: één Vlaams kleinood om te knuffelen en twee van de beste films van het hele festival.

'Aan alle mooie liedjes komt een einde, en aan alle middelmatige ook, dus zijn we hier aangekomen bij de allerlaatste film van ons verslag'

Wie is die groezelige zwerver die daar zo troosteloos over het scherm komt geschuifeld? Het is warempel Commodus zelve: Joaquin Phoenix! Hij liet een buikje staan en borstjes hangen om in de huid van de door het leven totaal platgeslagen Joe te kruipen. Wie die Joe is of wat hij in zijn leven heeft meegemaakt, daar willen we niks over verklappen, maar we kunnen wél zeggen dat-ie het hoofdpersonage is in ‘You Were Never Really Here’, de schitterende nieuwe film van de Schotse regisseuse Lynne Ramsay. Daarin trekt hij op een Travis Bickle-achtige wraakqueeste, op zoek naar de pedofielen die met een jong meisje aan de haal zijn gegaan.

De kracht van de film zit ‘m niet in het verhaaltje, dat al duizend keer is verteld; van ‘Death Wish’ met Charles Bronson over ‘Payback’ met Mel Gibson tot ‘Man on Fire’ met Denzel Washington, wraakthrillers vind je altijd en overal. Nee, het zit ‘m in de manier waarop Ramsay, middels een duizelingwekkende montage en een wild om zich heen klauwende soundtrack van Radiohead-gitarist Jonny Greenwood, speelt met beeld en geluid om je toch maar zo diep mogelijk onder te dompelen in de gebroken, elke seconde van elke dag diep gepijnigde geest van het hoofdpersonage. De manier waarop Joaquin Phoenix mismeesterd om zich heen kijkt, om nu en dan in woede uit te barsten: het zal wel één van zijn allermooiste prestaties zijn. Je kijkt naar een man die het leven heeft opgegeven.

‘You Were Never Really Here’ vertelt niks nieuws, maar is wel een splijtend effectieve, in bloed en ellende gedrenkte karakterstudie die je op minder dan 90 minuten murw mept: ‘We Need to Talk About Kevin’ was al grote cinema, maar dit is Ramsay’s meesterwerk tot nu toe. Een agressieve, impressionistische en elliptische wraakthriller die al het mogelijke vet uit het verhaal snijdt en met wat overblijft de bloedigste steak van het jaar bakt.

Onderweg naar de volgende zaal kwamen we toch weer Harvey Weinstein tegen, zeker? Hij probeerde ons nog één keer te overtuigen van zijn goede bedoelingen door vijf minuten met een jonge, knappe actrice te praten zonder haar te molesteren, maar het effect werd een beetje teniet gedaan omdat hij naakt was onder zijn badjas.

Even verderop probeerde Woody Allen nog uit te leggen dat het allemaal zo niet bedoeld was, en dat de aantijgingen tegen Harvey zeker niet mogen uitmonden in een heksenjacht. Want als er toch op iets gejaagd moet worden, dan heeft hij liever lingeriemodellen of minderjarige adoptiefdochters.

Ondertussen hadden we een kwaaie Russell Crowe aan de lijn, dus haastten we ons maar snel naar ‘The Killing of a Sacred Deer’ van ‘The Lobster’-regisseur Yorgos Lanthimos. Een prentje waar zo mogelijk nog mínder levensvreugde van afspat dan van Joe daarnet.

We beginnen ons echt wel zorgen te maken over Yorgos de Griek. Veel filmmakers zijn hard en cynisch (Michael Haneke en Lars von Trier zijn bepaald geen lachebekjes), maar zij komen nog niet in de buurt van de troosteloze, misantropische tristesse die Lanthimos in zijn werk tentoonspreidt. Hij maakt zich, met het grimmigste gevoel voor humor ever, vrolijk over het evolutionaire ongelukje dat men de mens noemt, en diens kloterijen op het aardse dal dat-ie tijdelijk in bruikleen heeft gekregen. Lanthimos is de sadistische vorser die breed staat te grijnzen bij een hoopje vissen dat op het droge ligt te spartelen. Zijn onderwerp in een notendop: de zinloosheid van het bestaan. Zijn motto zou weleens dat van Nas kunnen zijn: life’s a bitch and then you die.

‘The Killing of a Sacred Deer’ dus. Colin Farrell, de laatste jaren uitgegroeid tot een écht goeie acteur, speelt Steven, een Ierse chirurg met een perfect leven: zestien jaar getrouwd met zijn vrouw Anna (Nicole Kidman), en vader van twee bloedjes van kinderen, Bob (Sunny Suljic) en Kim (Raffey Cassidy). Na zijn werk spreekt hij ook soms af met een zonderlingen jongen, Martin (Barry Keoghan), al is niet meteen duidelijk wie hij is. Is hij een buitenechtelijk kind? Een geheim familielid? Een voormalige patiënt? Steven heeft alleszins medelijden met ‘m en stelt hem voor aan zijn gezin. Maar Martin begint zich almaar raadselachiger te gedragen, tot hij Steven opeens voor een ultimatum stelt.

Meer willen we over het verhaal echt niet kwijt. Weet gewoon dat Lanthimos niet geïnteresseerd is in realisme: ‘The Killing of a Sacred Deer’ speelt zich, net als ‘The Lobster’, af in een soort nachtmerrie-universum, waar iedereen zich bijna-maar-niet-helemaal als gewone mensen gedraagt. Het is een afstandelijke, brechtiaanse trip die gaandeweg alleen maar donkerder wordt, tot aan de verpletterend nihilistische finale. Hier en daar komt Stanley Kubrick piepen: in de ‘The Shining’-achtige tracking shots doorheen het ziekenhuis waar Steven werkt (alsof één of andere onzichtbare entiteit even een kijkje komt nemen), en in de beklemmende, ‘Eyes Wide Shut’-achtige soundtrack vol klassieke muziek van Johann Sebastian Bach en György Ligeti. Dit is cinema die even warm is als een duik in een ijsbad.

Wat vonden we er nu van? Binnenkort wagen we ons aan een volledige recensie, intussen gaan we even langs bij Ingeborg om onze positieve chakra’s weer op orde te krijgen.

Aan alle mooie liedjes komt een einde, en aan alle middelmatige ook, dus zijn we hier aangekomen bij de allerlaatste film van ons verslag, geheel toevallig dé officiële slotfilm van Film Fest Gent 2017: ‘Charlie en Hannah gaan uit’. Kunnen we nu al zeggen: één van de meest fladderende, merkwaardige, inventieve én volgepropte Vlaamse films – welja – ooit!

Charlie (Evelien Bosmans kan ons krijgen) en Hannah (Daphne Wellens eigenlijk ook) zijn twee hartsvriendinnen die zich als aanmodderende twintigers zo goed en zo kwaad als het kan door het leven slaan. Op een avond gaan ze naar een feestje. Ze vliegen in de wijn en slikken op het toilet een magische bonbon door (‘geen drugs,’ zegt Charlie tegen de camera, ‘het is iets homeopathisch’), waarop ze tijdens de rest van de nacht vrolijk door tijd en ruimte zweven. Hannah’s borsten beginnen te praten, en voorzien als een Grieks koor commentaar op de verhalen die zich rondom hen afspelen, terwijl de meisjes jongens tegenkomen, maar ook mummies, historische figuren en een stel sprekende flatgebouwen.

‘Charlie en Hannah gaan uit’ is, met andere woorden, een cinematografisch snoepreisje waarin de regisseur – debutant Bert Scholiers – zich nog harder amuseert dan zijn personages. Op voorhand werd de film aangekondigd als een Vlaamse Noah Baumbach (‘The Squid and the Whale’, ‘The Meyerowitz Stores’), maar de film is véél gekker dan dat. Scholiers is duidelijk een filmfreak van het zuiverste water, en stopt referenties en knipogen in elke frame. Hij speelt met freeze-frames, zooms, versnellingen, kleurwissels, beeldformaten en special effects. Sommige scènes zijn pure Wes Anderson, er wordt uitgebreid ode gebracht aan de stille film en één sequens is zelfs een hommage aan de door blauw-rode spots belichte giallo-horrorfilms van Dario Argento en co. De obscuurste verwijzing: Charlie’s lievelingsfilm is ‘Female Prisoner #701: Scorpion’, een vuile Japanse women in prison­-film met exploitationicoon Meiko Kaji. Cool!

Die absurdistische kracht – ‘wow, wat gebeurt er allemaal?’ – kan ook een zwakte zijn: soms proeft ‘Charlie en Hannah gaan uit’ als een ijsje met chocoladesaus, discobolletjes, slagroom, bosbessen, appelsiensap, een koekje, confituur én van die dikke zilveren parels. Wat véél. De dialogen struikelen ook over zichzelf in kunstzinnige millennial speak, waar de 25-plussers het eventueel van op hun heupen zouden kunnen krijgen. Then again, Charlie en Hannah zíjn kunstzinnige millennials, dus ergens klopt het wel dat ze geaffecteerd klinken. Maar het is goed dat Scholiers alleszins de zelfcontrole had om zijn film af te ronden op 75 minuten: dat is genoeg.

Ach wat, er spat goesting, creativiteit en léven vanaf, daar waar Vlaamse films bijna altijd op veilig spelen. Dit is cinema om toe te juichen en te omarmen: de leukste stijloefening van het jaar.

En daar staan we dan: helemaal alleen op de stoep van de Kinepolis. De ochtend roept en de vogeltjes fluiten. Tijd voor een terrasje en eventueel wat menselijke interactie. En dan kijken we nog eens naar ‘Female Prisoner #701: Scorpion’. Tot volgend jaar, of tot in de cinema!

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven