De Tand Des Tijds: Lawrence of Arabia (David Lean, 1962)

, door (es)

Vooreerst dit: eigenlijk is het een misdaad tegen de menselijkheid om ‘Lawrence of Arabia’ – in december precies 55 jaar oud - op een flatscreen te bekijken. In een ideale wereld zou je de overweldigende zandzeeën waarin de hoofdpersonages zich ophouden moeten kunnen aanschouwen in een bioscooppaleis – de Plaza of de Agora Palace - waar je samen met duizend andere toeschouwers in rode pluchen zeteltjes zit, waar je nog de magie kunt ervaren van openschuivende gordijnen, en waar een juffrouw met roodgestifte lippen, een stijlvol hoedje op en met een hemelsbrede glimlach u een pakje sigaretten uit het dienblad voor haar in een mantelpakje gehulde buik komt verpatsen. Zulke paleizen bestaan jammer genoeg alleen nog maar in luchtspiegelingen, en dus rooien we het met de dvd. En zie: opnieuw staan we versteld van hoe goed dit epos van David Lean overeind is gebleven; ‘t is echt zo’n film waar Vadertje Tijd zijn blikkerende tanden wel altijd stuk op zal blijven bijten.

Deze magnifiek gefotografeerde – check hoe Lean de schaduwen van de voortsloffende kamelen op de goudgele zandvlakte laat vallen! - en prachtig geregisseerde film vertelt het waargebeurde verhaal van T.E. Lawrence (Peter O’Toole), een Britse luitenant die tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Midden-Oosten de bedoeïenen – een allegaartje rondzwervende woestijnbewoners - trachtte te verenigen in een opstand tegen de Turken en al doende uitgroeide tot een mythische figuur. Een boeiende en complexe kerel, die Lawrence: geen kinetische Hollywoodheld, maar een dromerige weirdo die in de officiersmess per ongeluk tafeltjes omver stoot, graag Themistocles citeert en zich pas écht in zijn sas voelt wanneer hij in het midden van de woestijn – dat brandend fornuis waar normaal gezien alleen de bedoeïenen en de goden zich thuis voelen - zijn kameel de sporen kan geven: ‘Hut! Hut! Hut!’

Ah, Peter O’Toole! De scène waarin hij na een krankzinnigmakende gruweltocht doorheen de onverbiddellijke Sinaïwoestijn totaal uitgedroogd en met z’n smoel vol stuifzand de officiersmess in Caïro komt binnenstrompelen en aan de bar terstond een citroenlimonade met ijsblokjes bestelt, brengt ons altijd weer aan het grinniken. In realiteit was O’Toole immers een beruchte zuipschuit die zijn dorst uitsluitend leste met sloten whisky en champagne. Zijn legendarische drankzucht hield O’Toole evenwel niet tegen om voor de camera te schitteren: O’Toole behoorde – net als zijn drinkebroers Richard Burton en Oliver Reed - tot het slag drooglevers die zich ‘s avonds lazarus konden zuipen, en ‘s morgens toch in opperste concentratie op de set konden verschijnen. Zijn beste scène vinden wij die die waarin de zwaar getormenteerde, van zelfhaat doortrokken Lawrence in Caïro met raspende stem tracht uit te leggen hoe het voelt om een man te executeren (‘Ik genoot ervan’); en het is in de twee seconden doodse stilte die Lean onmiddellijk na die biecht laat vallen, dat je pas écht beseft dat je in een waar meesterwerk zit.

De stemmingswisselingen waarmee Lawrence kampt – hij zwenkt van euforische hoogheidswaanzin naar angstaanjagende somberheid – vallen overigens zo hard op dat we ons afvragen of O’Toole zijn personage misschien zag als een man die leed aan een manische depressie. Zelf kon O’Toole er zich nooit toe brengen om ‘Lawrence of Arabia’, de film die van hem van de ene dag op de andere een levende legende legende maakte, helemaal te bekijken. Hij begon er ooit aan op Kerstavond 1975, maar na 40 minuten hield hij het al voor bekeken omdat hij werd overspoeld door herinneringen. ‘Ik kon alleen maar denken: ah, tijdens die opname had Omar Sharif last van een druiper. Ah nee, ik vergis me: tijdens die opname had ík last van een druiper.’ U moet weten dat O’Toole en Sharif tussen de opnamen door met een privéjet naar Beiroet plachten te vliegen, toen de zondigste stad van het Midden-Oosten, waar ze hun centen op klaarblijkelijk niet al te veilige manier verbrasten in casino’s en bordelen en waar ze zopen tot hun levers geel zagen. Onbeduidend detail: omdat hij ‘Omar Sharif’ nogal belachelijk vond klinken, verzon O’Toole voor zijn kompaan een andere naam: Caïro Fred. Yep, de in 2013 overleden O’Toole was een duivel, een rebel en een onruststoker, en toch voelen wij een grenzeloze sympathie voor hem.

Terug naar de woestijn: wie wil weten wat nu eigenlijk precies wordt bedoeld met het begrip ‘episch’, moet zich eens laten overrompelen door ‘Lawrence of Arabia’. Die machtige ouverture met het pikdonkere scherm en die opwindende muziek van Maurice Jarre? Episch. Die echo die in de canyons aanzwelt tot een koor van tegen elkaar op roepende baritons? Episch. Die camera die langs die duizenden aanvallende strijders pant, waarbij het gerommel en gestamp van de voortsnellende paarden en kamelen zo oorverdovend luid klinkt dat uw ramen meetrillen in hun kozijnen en waarbij de stofwolk die ze achterlaten het vlees van uw botten lijkt te snijden? Episch, episch, episch. Overigens: dat de woestijnscènes, waarin je het zand als in een magische getijdenstroom over een perfect gladgestreken oppervlakte ziet stuiven, tot stand kwamen zonder CGI, valt anno 2017 nauwelijks te bevatten. Maar let op: ‘Lawrence of Arabia’ mag dan vooral bekendstaan om z’n epische grandeur, het zijn de vele fijne details die het brede canvas opvullen met waarachtigheid. Tijdens de nachtelijke conversatie tussen Lawrence en Prins Feisal (Alec Guinness), bijvoorbeeld, hoor je de houten steunpalen onder het tentzeil op zo’n manier kraken onder de wind dat het bijna mysterieus wordt. En ondanks de buitenaards lange speelduur – 3u37! – dendert het verhaal verbazend vlot – Hut! Hut! Hut! – vooruit.

Opvallend ook – en moedig - hoe Lean zijn film laat eindigen op een bittere noot: het opzet van Lawrence is mislukt, het verenigde Arabië waar hij al die tijd van droomde is verworden tot een in stukken gehakt wingewest voor het Westen. En wanneer hij in de slotscène zijn geliefde Arabië uitrijdt, en onderweg de Westerse soldaten kruist die het Midden-Oosten komen inpalmen, valt van zijn sombere gezicht af te lezen dat hij al die ellende die de mensheid op dat moment nog staat te wachten op één of andere profetische manier al voorvoelt: Irak, Syrië, Afghanistan, IS... Wie het Midden-Oosten wil begrijpen, mag beginnen met ‘Lawrence of Arabia’. En dus grijpen we naar de citroenlimonade en heffen we het glas: op O’Toole, op David Lean, op één van de meest onverwoestbare meesterwerken van de zevende kunst, en natuurlijk ook op Caïro Fred.

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De website van Humo maakt gebruik van cookies.   Meer info   Deze melding niet meer weergeven