De Tand Des Tijds: 'The Maltese Falcon' (John Huston, 1941)

, door (es)

De in zijn onafscheidelijke regenjas gehulde gangster Corry (Alain Delon) die in ‘Le Cercle Rouge’ in een vintage koffiebar van een koffietje staat te nippen. The Motorcycle Boy (Mickey Rourke) die in ‘Rumble Fish’ door de bruisende nacht stapt met de armen losjes voor de borst gekruist en de kraag van zijn colbertje recht omhooggeslagen. Han Solo (Harrison Ford) die in ‘The Empire Strikes Back’ de Falcon zonder zweten door een meteorenzwerm stuurt.

In de filmgeschiedenis krioelt het van de coole heerschappen; mannen met een attitude om jaloers op te zijn; mannen die met zoveel gratie door het universum schrijden dat het wel lijkt alsof hun lichamen zich op onzichtbare muziek bewegen; heren die op geen enkel moment hun kalmte verliezen en die – in tegenstelling tot ons – zóop de cover van een luxueus lifestylemagazine kunnen gaan staan. Maar geen van hen kan tippen aan Humphrey Bogart in ‘The Maltese Falcon’. Of, iets nauwkeuriger: geen van hen kan zich meten met de Bogart die we aan het werk zien in de 42ste minuut van dit op een roman van Dashiell Hammett gebaseerde meesterwerk van John Huston.

Voor de plot moet u niet kijken, want daar valt geen touw aan vast te knopen. We maken kennis met privé-detective Sam Spade (Bogart), met zijn partner Miles Archer (Jerome Cowan), en met Miss Wonderly (Mary Astor), een leugenachtige dame die de heren verzoekt om iemand te schaduwen. Verderop in het verhaal ontmoeten we de gevaarlijk neurotische Joel Cairo (de als immer fantastische Peter Lorre) en de dreigende Kasper ‘Dikzak’ Gutman (Sidney Greenstreet).

En allemaal zitten ze achter de Maltese Falcon aan, een door de tempelridders vervaardigd ornament dat eeuwen geleden door piraten werd buitgemaakt en sindsdien foetsie is. Zelfs Hercule Poirot zou niet wijs raken uit de waterval van aanwijzingen, dwaalsporen, leugens en halve waarheden die je in ‘The Maltese Falcon’ over je heen krijgt, maar wie maalt erom?

‘The Maltese Falcon’ draait immers niet rond de plot, maar rond Bogart – rond zijn fascinerende mimiek, zijn unieke uitstraling, zijn onnavolgbare tred, zijn fantastische spel, zijn nooit meer geëvenaarde stijl, zijn alle-aandacht-opzuigende manier van doen. Mocht u op de trein Oostende-Eupen een in gedachten verzonken jongeman zien zitten die als in een tic nerveux voortdurend zijn mondhoeken optrekt, weet dan dat het uw dienaar is die een halfslachtige poging waagt om Bogart te imiteren. En wat valt er in ‘The Maltese Falcon’ toch te genieten van het heerlijke cynisme dat je aldoor in de snel heen-en-weer-flitsende dialogen hoort borrelen. Hoor Spade maar eens spreken tegen zijn secretaresse vlak nadat hij het droeve nieuws heeft ontvangen dat zijn partner op de hoek van Bush Street werd neergekogeld:

- Luister, schatje, Miles is neergeschoten. Dood. Door de rikketik geschoten met ‘n .45 automatic. Doe nou niet zo dramatisch! Wil jij het aan zijn vrouw vertellen? Mij niet gezien! En hou haar uit mijn buurt, wil je. Brave meid.

Een bikkelharde ijskouwe klootzak eersteklas, die Spade, maar op de één of andere manier komt hij er grandioos mee weg. Maar hét Grote Moment breekt, zoals gezegd, aan in de 42ste minuut, wanneer Bogart – uiteraard in krijtpak en met een perfect geknoopte das onder de kin - de lobby van Hotel Belvedere binnenwervelt. Hij stapt – met die niet te imiteren mannenpassen van hem - naar de marmeren desk, plukt met z’n linkerhand de hoorn van een bakelieten telefoontoestel en plaatst tegelijkertijd zijn rechterelleboog op het marmeren tafelblad – en dat allemaal op een manier die de ogen uitsteekt.

En dan, als een soort meesterlijke pièce de résistance, geeft-ie met z’n rechterpink een tikje tegen de telefoondraad. ‘t Is een momentje van niks dat slechts een nanoseconde duurt: knipper met uw ogen, en u heeft het gemist. Dat tikje met die pink dient geen enkel hoger doel en heeft geen enkel nut; hij doet het gewoon omdat hij Bogart is. Zijn klasse, zijn stijl, zijn Bogart-zijn: het kristalliseert zich allemaal in dat ene pinkgebaar. En geen enkele andere acteur ter wereld die het in zich heeft om het hem na te doen - James Dean niet, Marlon Brando niet, Ryan Gosling niet, Michael Fassbender niet.

Het punt is: indien Bogart dat tikje níet had gegeven, dan zou hij uiteraard niet minder Bogart zijn, maar net omdat hij het wél maakt, groeit hij uit tot iemand die méér is dan Bogart – de überBogart, of de vleesgeworden incarnatie van mythische cool. Enfin, wanneer wij later zullen terugdenken aan al die heerlijke momenten die de cinema ons heeft geschonken, dan zullen wij niet alleen denken aan de helicopters uit ‘Apocalypse Now’, of aan de slotmonoloog van Rutger Hauer in ‘Blade Runner’, of aan Han Solo die de Falcon doorheen die meteorenzwerm stuurt, maar dan zullen wij ook, en misschien wel bovenal, denken aan de pink van Bogart.

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De Persgroep Publishing heeft haar Privacy– en cookieverklaring aangepast.
Wij gebruiken jouw persoonsgegevens vanaf nu ook om de Diensten van MEDIALAAN Groep/De Persgroep Publishing te optimaliseren en deze waarvoor jij kiest te personaliseren.
Door op “verdergaan” te klikken of door verder te surfen, erken je deze aangepaste Privacy– en cookieverklaring gelezen te hebben.

Verdergaan